ECLI:NL:RBDHA:2025:6692
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier op grond van buitenschuldbeleid alleenstaande minderjarige vreemdeling
Eiser, een minderjarige vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, vroeg op 11 mei 2021 een verblijfsvergunning asiel aan. De minister wees deze aanvraag op 7 januari 2025 af, ook op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv). De rechtbank had eerder een deel van het besluit vernietigd vanwege onvoldoende onderzoek naar opvangmogelijkheden in Marokko.
De minister heeft daarna meerdere medische adviezen ingewonnen, maar eiser kon vanwege medische redenen niet persoonlijk worden gehoord. Schriftelijke vragen werden gesteld, waarop eiser onvoldoende meewerkte, met name door het niet verstrekken van adres- en telefoongegevens van familieleden die mogelijk opvang konden bieden. De minister concludeerde daarom dat geen adequate opvang was vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat de minister voortvarend heeft gehandeld en de vertraging niet aan hem is toe te rekenen. Het onvoldoende meewerken van eiser is terecht meegewogen. De rechtbank wijst erop dat de jurisprudentie geen harde termijn van één jaar stelt voor het onderzoek naar opvang, maar voortvarendheid vereist. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard.