ECLI:NL:RBDHA:2025:6486
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering visum wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiseres, een Pakistaanse vrouw, diende een aanvraag in voor een visum om haar zoon in Nederland te bezoeken. De minister weigerde het visum omdat eiseres onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan aannemelijk had gemaakt, waardoor twijfel bestond over haar voornemen om tijdig terug te keren.
De rechtbank toetste het besluit en concludeerde dat de minister terecht twijfelde aan de terugkeergarantie. De door eiseres aangevoerde sociale binding, zoals zorg voor kleinkinderen, was niet voldoende onderbouwd. Ook de economische binding werd niet aannemelijk gemaakt, ondanks haar rol in het taxibedrijf van haar echtgenoot.
Verder werd geoordeeld dat de minister de hoorplicht niet had geschonden, omdat er in de bezwaarprocedure geen nieuwe feiten waren aangevoerd die tot een ander besluit konden leiden. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de visumweigering wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende binding met het land van herkomst.