ECLI:NL:RBDHA:2025:6370
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER voor moeder ten laste van meerderjarige zoon
Eiseres, een Braziliaanse vrouw geboren in 1968, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER op grond van het feit dat zij ten laste zou komen van haar meerderjarige zoon, de referent met de Italiaanse nationaliteit, die in Nederland verblijft. Haar minderjarige dochter verblijft eveneens in Nederland met een afgeleid verblijfsrecht. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in haar land van herkomst financieel afhankelijk is van haar zoon.
De rechtbank overwoog dat eiseres onvoldoende bewijs heeft geleverd van materiële ondersteuning door de referent in Brazilië, noch dat zij vanwege gezondheidsredenen persoonlijke verzorging van hem nodig heeft. Ook het samenwonen met de referent kon niet worden vastgesteld. De aangevoerde documenten zoals facturen en bankafschriften boden geen duidelijkheid over de financiële afhankelijkheid.
Verder concludeerde de rechtbank dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiseres en haar zoon, zoals emotionele afhankelijkheid of zorgbehoefte. De belangenafweging met betrekking tot de minderjarige dochter, die een gezinsleven heeft in Nederland, werd door verweerder voldoende gemotiveerd in het nadeel van eiseres gemaakt.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de vereiste connexiteit ontbrak. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.