De rechtbank Den Haag behandelde op 27 maart 2025 de zaak tegen een verdachte geboren in 2005, die werd beschuldigd van drugshandel, afpersing en drugsbezit. De verdachte werd vrijgesproken van afpersing en drugsbezit wegens onvoldoende bewijs en onduidelijkheden over de feiten. De drugshandel werd echter bewezen verklaard, waarbij de verdachte tussen maart 2022 en april 2023 meerdere keren harddrugs heeft verkocht en geleverd.
De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de duur van de handel, het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder positieve ontwikkelingen en afgeronde behandelingen. De redelijke termijn voor de zaak was met acht maanden overschreden, wat strafverminderend werd meegewogen.
De opgelegde straf bestond uit 76 dagen jeugddetentie, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, passende dagbesteding en begeleiding door een coach. Daarnaast werden bepaalde inbeslaggenomen goederen onttrokken aan het verkeer en geldbedragen verbeurd verklaard.
De rechtbank besloot ook tot teruggave van enkele voorwerpen aan de verdachte en hief het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op. De uitspraak werd gedaan door drie kinderrechters op 10 april 2025.