Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Overwegingen
Bewaringsgronden
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Poolse nationaliteit, werd op 5 maart 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij voerde aan dat hij op 3 juni 2024 naar Polen was uitgezet en daar meer dan negen maanden verbleef, waardoor het verwijderingsbesluit was uitgevoerd en zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief was beëindigd.
De rechtbank overwoog dat het enkele feit van het verblijf van negen maanden in Polen onvoldoende is om te concluderen dat het verblijf in Nederland effectief is beëindigd. Eiser verklaarde in een proces-verbaal dat hij in Polen geen werk had, niet was ingeschreven en niets bezat, wat duidt op een voortzetting van zijn eerdere verblijf in Nederland.
De minister stelde dat de openbare orde de maatregel van bewaring vordert vanwege het risico op onderduiken, met verwijzing naar zware en lichte gronden. De rechtbank vond deze gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht. De ambtshalve toets leidde niet tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig was.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.