ECLI:NL:RBDHA:2025:4427
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep wegens niet tijdig besluit verlening machtiging voorlopig verblijf nareis
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor zijn echtgenote. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht definitief toegewezen.
De aanvraag werd ingediend op 5 juli 2024, waarop de minister uiterlijk 3 januari 2025 had moeten beslissen. Deze termijn is verstreken zonder besluit. Eiser stelde de minister op 8 januari 2025 rechtsgeldig in gebreke en diende op 27 januari 2025 het beroep in, dat tijdig werd geacht en kennelijk gegrond.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bijzonder geval bij aanvragen om gezinshereniging voor houders van een asielvergunning en legt op grond van artikel 8:55d Awb een termijn van acht weken op waarbinnen de minister moet beslissen, met een mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat de minister reeds €1.442 aan dwangsommen heeft verbeurd en veroordeelt de minister tot betaling hiervan en tot vergoeding van de proceskosten van €453,50. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig genomen besluit wordt vernietigd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het niet tijdig genomen besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen acht weken te beslissen met oplegging van dwangsommen.