Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Procesafspraken
4.De bewijsbeslissing
oplijst I
van de Opiumwet;
en munitievan categorie II en III, te weten:
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag heeft op 11 maart 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte geboren in 1980, die werd verdacht van medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de productie en handel in harddrugs (MDMA, methamfetamine en cocaïne), het bezit van diverse vuurwapens en munitie, en deelname aan een criminele organisatie.
De tenlastelegging betrof onder meer het vervaardigen, bereiden, bewerken, verwerken en vervoeren van grote hoeveelheden harddrugs in de periode van april tot september 2016, het bezit van een semi-automatisch pistool, een automatisch vuurwapen en een hagelgeweer, alsmede het voorhanden hebben van chemicaliën en materialen bestemd voor de productie van synthetische drugs. De verdachte werkte mee aan procesafspraken waarbij hij afstand deed van verweren en het recht op hoger beroep, in ruil voor een straf van 40 maanden gevangenisstraf.
De rechtbank oordeelde dat het bewezenverklaarde strafbaar was en dat de verdachte strafbaar was. De strafoplegging werd gemotiveerd aan de hand van de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van drugshandel en wapenbezit, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank achtte de straf passend en in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak, mede vanwege de medewerking van de verdachte aan de procesafspraken.
De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest had doorgebracht. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van productie en handel in harddrugs en wapenbezit.