ECLI:NL:RBDHA:2025:3719

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
11 maart 2025
Zaaknummer
NL24.50068 en NL24.50070
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 6 DublinverordeningArt. 12 IVRKArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening en belangen minderjarige kinderen

De rechtbank Den Haag heeft op 11 maart 2025 de beroepen behandeld van een gezin tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, waarbij België als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen. Eisers verschenen niet op de zitting, maar hun gemachtigde was aanwezig.

De rechtbank oordeelt dat het aanmeldgehoor zorgvuldig is verlopen en dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom België verantwoordelijk is. Eisers stelden dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt vanwege tekortkomingen in het Belgische asiel- en opvangsysteem, maar de rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat deze tekortkomingen niet zwaarwegend genoeg zijn om het vertrouwensbeginsel te doorbreken.

Verder is geoordeeld dat de belangen van de minderjarige kinderen, die op dat moment 9 en 6 jaar oud waren, voldoende zijn meegewogen. Er was geen noodzaak om de kinderen apart te horen gezien hun jonge leeftijd en het ontbreken van concrete aanwijzingen dat hun welzijn zou worden geschaad. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening om de aanvragen toch inhoudelijk te behandelen, is verworpen omdat de minister haar discretionaire bevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend.

De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvragen niet in behandeling te nemen blijft in stand. Eisers kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvragen niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.50068 en NL24.50070

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [v-nummer] ,

[naam] , eiseres,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer [v-nummer] ,
mede namens hun minderjarige kinderen:

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [v-nummer] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [v-nummer] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [v-nummer] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [v-nummer] ,
samen: eisers,
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: P. Zijlstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van
13 december 2024 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvragen.
1.1
De rechtbank heeft de beroepen, samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening (NL24.50069 en NL24.50071), op 4 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eisers en hun gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van de besluiten
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, die in de Dublinverordening staat. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij België op 14 oktober 2024 een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek op 16 oktober 2024, op grond van artikel 18, eerste lid onder c van de Dublinverordening aanvaard.
Verwijzing naar de zienswijze
5. De rechtbank overweegt, dat de algemene stelling van eisers in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in de besluiten ingegaan op de zienswijze van eisers. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eisers in beroep niet concreet hebben aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hen niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Het aanmeldgehoor
6. Eisers betogen dat het aanmeldgehoor van eiser ten onrechte niet is afgebroken omdat hij ziek was. Eiser heeft meermaals in het gehoor aangegeven hoofdpijn en buikpijn te hebben, maar de hoormedewerker heeft geen pauzes ingelast en heeft de signalen genegeerd. Eiser stelt dat hij tijdens het gehoor onder druk is gezet, duidelijk kwetsbaar was en bang was dat het nadelige gevolgen voor hem en zijn gezin zou hebben, als hij het gehoor wilde beëindigen.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de hoormedewerker bij het aanmeldgehoor onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de medewerker geen pauze heeft ingelast of dat er geen ruimte was om het gehoor te beëindigen. Uit het verslag gehoor aanmeldfase van eiser blijkt namelijk dat eiser de mogelijkheid heeft gekregen om water te halen en dat hem meermaals is gevraagd of hij het gesprek wel kon doorzetten. Op de opmerking van de rapporteur: “Dan ga ik het gesprek beëindigen” antwoordt eiser: “Nee, ik ga meewerken”. Op de vraag of eiser nog op- of aanmerkingen heeft over de werkwijze van de medewerker antwoordt eiser: “Nee. U hebt mij goed geholpen. Ik ben blij met het gesprek”. De rechtbank is niet gebleken dat eiser naderhand een klacht heeft ingediend over de wijze waarop het aanmeldgehoor is afgenomen. Ook zijn er geen correcties en aanvullingen ingediend.
Standaardvoornemen
7. Eisers betogen dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid omdat het voornemen uitsluitend standaardoverwegingen bevat. Eisers stellen dat de minister in had moeten gaan op hun persoonlijke situatie en op wat zij tijdens het aanmeldgehoor hebben verklaard.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Ook als de verklaringen van eisers niet kenbaar zijn betrokken in het voornemen hebben eisers door middel van het indienen van de zienswijze de gelegenheid om te reageren op het voornemen. De minister beoordeelt vervolgens alle argumenten uit het aanmeldgehoor en uit de zienswijze in het bestreden besluit. Volgens de rechtbank is deze handelwijze niet onzorgvuldig. [3] De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister in het voornemen voldoende duidelijk uiteen heeft gezet op grond waarvan België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers en ook dat zij geen reden ziet om eisers asielaanvragen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling te nemen. Alle door eisers aangedragen bezwaren in de zienswijze tegen de overdracht zijn kenbaar meegenomen in de motivering van het bestreden besluit.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. Eisers betogen dat ten aanzien van België niet van het interstatelijk
vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zij stellen dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar de situatie in België. Eisers voeren aan dat er in hun geval sprake is van een reëel risico zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3, tweede lid van de Dublinverordening. Bij overdracht dreigen eisers in een situatie te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. [4]
8.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het algemene uitgangspunt is dat de minister op
grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat België zijn
verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eisers
aannemelijk maken dat het asiel- en opvangsysteem in België dusdanige tekortkomingen
vertoont dat zij bij overdracht aan België een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Van een schending van
artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in geval de vreemdeling
aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst
sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van
zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de
Europese Unie van 19 maart 2019. [5]
8.2.
Hierin zijn eisers naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 maart 2024, waarin de Afdeling heeft erkend dat er in België tekortkomingen in de opvangvoorzieningen zijn, maar dat de enkele schending van opvangverplichtingen onvoldoende is voor het oordeel dat ten aanzien van België niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [6] De Afdeling is van oordeel dat dit geen fundamentele systeemfout is die de bijzondere drempel van zwaarwegendheid bereikt. Voor eisers als gezin met minderjarige kinderen is daarbij van belang dat wegens het gebrek aan reguliere opvangplaatsen bij de toewijzing van plaatsen voorrang wordt gegeven aan families, kinderen, vrouwen en andere kwetsbare personen. Na registratie van hun asielverzoek wordt aan hen onmiddellijk een opvangplaats toegewezen. Eisers hebben geen argumenten naar voren gebracht die leiden tot een ander oordeel dan al door de Afdeling is gegeven. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat door eisers niet aannemelijk is gemaakt dat zij in België een reëel risico lopen op een onmenselijk of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest.
Belangen van de minderjarige kinderen
9. Eisers doen verder een beroep op artikel 24, eerste lid, van het Handvest, artikel 6 van Pro de Dublinverordening alsmede artikel 3, tweede lid, en artikel 12 van Pro het IVRK [7] . Deze Unierechtelijke en internationale bepalingen regelen het recht van een kind om te worden gehoord en zijn mening te geven alsmede de plicht van (lid)staten om de belangen van het kind voorop te stellen bij alle beslissingen die zij nemen. Eisers zijn van mening dat hun twee oudste kinderen ten onrechte niet zijn gehoord en dat de belangen van de kinderen onvoldoende zijn meegewogen door de minister.
9.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft beleid ontwikkeld met betrekking tot de behandeling van Dublinzaken waarbij kinderen zijn betrokken. [8] In het beleid staat dat de belangen van de kinderen uitdrukkelijk moeten worden betrokken in de besluitvorming. Uit paragraaf 4 ‘hoe te handelen’ volgt dat het belang van het kind meer concreet en specifiek zal moeten worden getoetst, en dat daar al snel aanleiding toe zal zijn. In het besluit zal vervolgens uitdrukkelijk en gemotiveerd moeten worden ingegaan op onder andere de standpunten van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat de twee oudste kinderen van eisers 9 en 6 jaar oud waren ten tijde van het indienen van onderhavige opvolgende asielaanvragen. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de bestreden besluiten voldoende gemotiveerd is ingegaan op de belangen van de kinderen en dat zij - gelet op de zeer jonge leeftijd van de kinderen - geen aanleiding heeft hoeven zien om de kinderen apart te horen. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser in zij gehoor evenmin aanleiding heeft gegeven voor de minister om de beide jonge kinderen afzonderlijk te horen en dat met eiseres - ondanks herhaaldelijke uitnodiging daartoe - geen gehoor plaats heeft kunnen vinden. Bovendien hebben eisers in beroep niet concreet gemaakt wat de kinderen hadden kunnen verklaren en welke belangen door het ontbreken van de verklaringen van beide kinderen geschaad zouden zijn. Ook zijn er geen aanwijzingen dat het voor het welzijn en de sociale ontwikkeling van de kinderen noodzakelijk is om de asielprocedures in Nederland in plaats van in België te doorlopen. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
10. Eisers voeren tot slot aan dat de minister in de bestreden besluiten de aangedragen individuele feiten en omstandigheden niet kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling of zij op grond van haar beleid aanleiding ziet om de asielaanvragen van eiseres inhoudelijk in behandeling te nemen. Eisers stellen dat deze beoordeling een juridisch wezenlijk ander toetsingskader behelst dan de beoordeling of er ten aanzien van een lidstaat nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
10.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Een lidstaat kan, op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, besluiten een bij hem ingediende asielaanvraag van een onderdaan van een derde land te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht. De minister gebruikt deze bevoegdheid in ieder geval als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Gelet op de ruime mate van de bestuurlijke vrijheid die de minister heeft om de hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing van de minister terughoudend.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eisers geschetste omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvragen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen en dat zij dit voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 25 februari 2025 [9] heeft verduidelijkt dat als de minister de individuele omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling bij de vraag of er van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom zij haar discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. In het geval van eisers heeft de minister in de bestreden besluiten in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel de door eisers aangedragen individuele omstandigheden voldoende kenbaar betrokken en gemotiveerd weerlegd. De minister was niet gehouden om in het kader van de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening nogmaals per omstandigheid te motiveren waarom deze geen aanleiding vormt om haar discretionaire bevoegdheid te gebruiken.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers mogen worden overgedragen aan België. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 23 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4348).
4.Het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
5.ECLI:EU:C:2019:218.
7.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
8.Informatiebericht SUA 2022/77 Belang van het kind in Dublinzaken.