ECLI:NL:RBDHA:2025:3690

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2025
Publicatiedatum
11 maart 2025
Zaaknummer
NL25.6697
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000
Verwijzingen
2 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel bewaring wegens zicht op uitzetting naar India

De minister van Asiel en Migratie legde op 11 februari 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 25 februari 2025.

Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting naar India binnen een redelijke termijn, omdat een eerder ingediende aanvraag voor een laissez-passer in 2023 niet tot afgifte heeft geleid en de bewaring in oktober 2023 was opgeheven wegens dit gebrek aan zicht. De rechtbank oordeelde dat het eerdere opheffen van de maatregel niet verhindert dat een nieuwe maatregel wordt opgelegd, zeker omdat de eerdere gebeurtenissen meer dan een jaar geleden zijn. Daarnaast is niet gebleken dat de Indiase autoriteiten de aanvraag hebben afgewezen of niet in behandeling nemen.

De rechtbank stelde ook vast dat eiser geen activiteiten onderneemt om zijn identiteit te bevestigen en zijn terugkeer te bespoedigen, wat wel van hem verwacht mag worden. De ambtshalve toetsing leverde geen grond op om het besluit onrechtmatig te achten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6697

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ontbreekt het zicht op uitzetting?
1. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat in 2023 al een aanvraag tot afgifte van een laissez-passer (lp) is ingediend bij de Indiase autoriteiten en dat eiser op 6 juli 2023 aan hen is gepresenteerd. Deze aanvraag is sindsdien niet gestopt, maar heeft niet geleid tot de afgifte van een lp. Op 12 oktober 2023 is de bewaring opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Volgens eiser valt niet in te zien waarom dat zicht er nu dan wel zou zijn.
1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank staat het eerdere opheffen van een maatregel wegens het ontbreken van zicht op uitzetting niet in de weg aan het opnieuw opleggen van een maatregel. De eerdere maatregel, presentatie en opheffing dateren van ruimschoots meer dan een jaar geleden, en zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India ontbreekt in beginsel niet. [1] Het enkele feit dat de minister eerder een lp-aanvraag heeft ingediend bij de Indiase autoriteiten en daar geen reactie op is gekomen, maakt niet dat zicht op uitzetting ontbreekt. Niet is gebleken dat de Indiase autoriteiten de (eerdere of huidige) lp-aanvraag hebben afgewezen of dat zij de aanvragen niet (langer) in behandeling hebben. Daar komt bij dat eiser op 5 maart 2025 opnieuw zal worden gepresenteerd, wat ook tot voortuitgang kan leiden. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiser, zoals de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht stelt, geen activiteiten onderneemt om aan identiteitsdocumenten te komen en zo zijn terugkeer naar India te bespoedigen. Van eiser mag dit wel worden verwacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 16 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:510.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.