Uitspraak
Rectificatie pl-p6.
[minderjarige 1] ,V-nummer: [V-nummer] ,
Rechtbank Den Haag
Eisers, een Nigeriaans gezin met minderjarige kinderen, werden op 3 februari 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie vanwege een vermoedelijk significant risico op onttrekking aan toezicht in het kader van een overdracht volgens de Dublinverordening. De minister baseerde dit op het niet op de juiste wijze binnenkomen van Nederland, een overdrachtsbesluit en het ontbreken van vaste woonplaats en middelen van bestaan.
Eisers voerden aan dat zij altijd traceerbaar waren, meewerkten aan vertrek en dat het risico op onderduiken onvoldoende was gemotiveerd. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had onderbouwd dat er een significant risico op onttrekking bestond, mede omdat eisers niet feitelijk waren ondergedoken en de verklaringen in het vertrekgesprek onvoldoende waren om het risico te rechtvaardigen.
De rechtbank stelde vast dat vrijheidsontneming van gezinnen met minderjarigen een versterkte terughoudendheid vereist en dat de minister ten onrechte het zwaarste middel had toegepast. De bewaring was daarom onrechtmatig vanaf het moment van oplegging.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €400 per gezinslid voor vier dagen onrechtmatige bewaring, totaal €1.600, en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.814. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was en kent een schadevergoeding en proceskosten toe aan eisers.