Uitspraak
1.NL25.4434.
2.ECLI:NL:RVS:2021:134.
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 17 januari 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid van de bewaring.
De rechtbank onderzocht onder meer de grondslag en duur van de ophouding, de aanwezigheid van een asielwens en de rechtmatigheid van de maatregel. Hoewel er sprake was van een gebrek in het voortraject door verschillende grondslagen in de processen-verbaal, oordeelde de rechtbank dat dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid, gezien het belang van de minister en het beperkte karakter van het gebrek.
De duur van de ophouding was conform de wettelijke termijn van zes uur. De rechtbank stelde vast dat eiser op het moment van oplegging van de maatregel een asielwens had, ondanks het ontbreken van een ondertekend aanvraagformulier. De zware en lichte gronden voor bewaring waren voldoende gemotiveerd en onbetwist gebleven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.814,00. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.