ECLI:NL:RBDHA:2025:3262
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning asiel wegens strafbare feiten en oplegging terugkeer en inreisverbod
Eiser, van Somalische nationaliteit, kreeg in 2004 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Na meerdere veroordelingen voor ernstige strafbare feiten heeft de minister in 2024 zijn vergunning ingetrokken en een terugkeerbesluit met inreisverbod opgelegd. Eiser voerde onder meer aan dat hij onvoldoende gelegenheid had gehad tot zienswijze, dat zijn homoseksualiteit niet geloofwaardig werd bevonden, en dat terugkeer naar Somalië een schending van zijn rechten zou opleveren.
De rechtbank oordeelt dat de minister bevoegd was tot intrekking op grond van artikel 35 Vreemdelingenwet Pro 2000 en dat de procedure zorgvuldig is gevolgd. De beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers homoseksualiteit is gemotiveerd en niet onredelijk. De belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro leidt tot de conclusie dat het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan het privéleven van eiser.
Verder is vastgesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging of onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Somalië heeft aangetoond, ook niet vanwege zijn etnische achtergrond of seksuele geaardheid. De minister heeft terecht een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod opgelegd vanwege het ernstige en recidiverende criminele gedrag van eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning, het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.