ECLI:NL:RBDHA:2025:3259
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
De eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser voerde aan dat het besluit in strijd was met artikel 5 van Pro de Dublinverordening en artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, met name omdat hij niet adequaat was gehoord over de overdracht naar Duitsland. Hij verwees naar recente arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie die volgens hem een hoorrecht garanderen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende gelegenheid heeft geboden om bezwaren schriftelijk kenbaar te maken en dat eiser deze mogelijkheid heeft benut. Ook tijdens het Dublingehoor kon eiser zijn ervaringen delen. Er is geen sprake van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen connexiteit meer bestaat. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.