ECLI:NL:RBDHA:2025:2868

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2025
Publicatiedatum
26 februari 2025
Zaaknummer
NL25.6310
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b VbArt. 4.21 VbArt. 59b, tweede lid, Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet 2000

De minister heeft op 7 februari 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en voerde onder meer aan dat de minister de inspanningsverplichting had geschonden.

De rechtbank heeft op 21 februari 2025 het beroep behandeld via telehoor en oordeelde dat de minister haar inspanningsverplichting niet heeft geschonden. De termijn tussen de afwijzing van de asielaanvraag en het vertrekgesprek was niet onredelijk lang.

De maatregel van bewaring is terecht opgelegd op basis van zowel de a-grond (onvoldoende zekerheid over identiteit) als de b-grond (noodzaak tot verkrijgen van gegevens voor asielbeoordeling). Diverse zware en lichte gronden, zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, het niet meewerken aan identificatie en het ontbreken van vaste woonplaats, dragen de maatregel.

De rechtbank vond geen aanleiding voor een lichter middel en concludeerde dat de minister voldoende voortvarend handelt in de asielprocedure. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6310

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.J. van der Vlis),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G.M. Bouius).

Inleiding

1. De minister heeft op 7 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 februari 2025, met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
3. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a (a-grond) en b (b-grond), van de Vw. Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (b-grond). De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3.1.
Op de zitting heeft de minister lichte gronden 4e en 4f ingetrokken.
3.2.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3.3.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. Eiser voert aan dat de minister de inspanningsverplichting heeft geschonden. Op 26 november 2024 was voor de minister de einddatum van de strafrechtelijke detentie duidelijk. Een eerste vertrekgesprek op 8 januari 2025 is daarmee volgens eiser dermate laat dat moet worden geconcludeerd dat de minister zich onvoldoende heeft ingespannen. Dit maakt de inbewaringstelling onrechtmatig.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister haar inspanningsverplichting niet heeft geschonden. De rechtbank overweegt hiertoe dat eiser pas op 21 december 2024 een afwijzende beschikking op zijn asielaanvraag heeft ontvangen. Pas vanaf de datum van de afwijzende beschikking heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf en kan de minister een vertrekgesprek met de vreemdeling voeren. Tussen 21 december 2024 en 8 januari 2025 zitten twee en een halve week, deze termijn acht de rechtbank niet dermate lang. Van schending van de inspanningsverplichting dan wel een onrechtmatige inbewaringstelling is dan ook geen sprake.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de a-grond van artikel 59b van de Vw is opgelegd. Voor de a-grond van artikel 59b van de Vw is vereist dat de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee bewaringsgronden voordoen. De minister stelt in de maatregel van bewaring terecht dat er onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van eiser omdat hij niet in bezit is van enig identiteitsdocument.
5.1.
Daarnaast heeft de minister de maatregel eveneens op de b-grond van artikel 59b van de Vw kunnen baseren. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), [1] volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht – door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb opgenomen lichte en zware gronden – ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen.
Gronden
6. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 3e, 4a, 4c en 4d in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Eiser is namelijk niet op de voorgeschreven wijze Nederland ingereisd (3a), hij had dan wel een werkvergunning voor Spanje, maar mocht daarmee niet reizen naar andere Europese landen; eiser is meermaals met onbekende bestemming vertrokken (3b); op 21 december 2024 heeft eiser een terugkeerbesluit opgelegd gekregen, met een vertrektermijn van 0 dagen en eiser heeft niet voldaan aan de terugkeerverplichting (3c); eiser heeft geen actie ondernomen om aan identificerende documenten te komen (3d) en eiser heeft verschillende aliassen gebruikt (3e). Hiernaast heeft eiser geen document overgelegd als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb (4a), heeft hij geen vaste woon- of verblijfplaats (4c) en beschikt eiser niet over voldoende middelen van bestaan (4d). Omdat er voldoende gronden zijn die de maatregel van bewaring kunnen dragen, laat de rechtbank de beoordeling van de rechtmatigheid van grond 3i onbesproken.
Lichter middel
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft hoeven zien voor het opleggen van een lichter middel. In dit kader acht de rechtbank van belang dat zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. De minister heeft verder de medische omstandigheden van eiser kenbaar bij de belangenafweging betrokken. Door de minister is daarbij aangegeven dat de medische zorgverlening in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De stellingen van eiser dat hij zijn asielaanvraag in vrijheid wil afwachten, dat hij een Spaanse werkvergunning heeft en naar Spanje wil om te werken maken het oordeel niet anders.
Voortvarend werken aan de asielaanvraag
8. De rechtbank overweegt dat de termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. De minister is vanaf het moment van inbewaringstelling verplicht om voldoende voortvarend te handelen. [2] De rechtbank stelt vast dat in de asielprocedure een gehoor heeft plaatsgevonden op 16 februari 2025 en dat een voornemen is uitgebracht op 19 februari 2025. Op dit moment loopt de termijn voor het indienen van een zienswijze. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de asielaanvraag van eiser.

Conclusie en gevolgen

9. Concluderend is de rechtbank niet gebleken is dat een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van de opgelegde bewaringsmaatregel niet is nageleefd. Wat eiser verder naar voren heeft gebracht, geeft ook geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1156.