ECLI:NL:RBDHA:2025:2851

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2025
Publicatiedatum
26 februari 2025
Zaaknummer
NL24.6715
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 44 lid 2 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:72 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onjuiste vaststelling ingangsdatum verblijfsvergunning asiel leidt tot vernietiging besluit

Eiser heeft op 4 oktober 2022 zijn asielwens kenbaar gemaakt bij het Aanmeldcentrum in Ter Apel, zoals blijkt uit de loopbrief. De minister had de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vastgesteld op 13 oktober 2022, wat eiser betwistte. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren en ook eiser kon reageren op de minister.

De rechtbank oordeelt dat de asielaanvraag volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als ontvangen geldt op het moment dat de vreemdeling persoonlijk zijn asielwens bij de autoriteiten kenbaar maakt. Dit moment is in deze zaak 4 oktober 2022, de datum van de loopbrief. De minister heeft dit standpunt onderschreven.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit voor zover het de ingangsdatum betreft. De rechtbank stelt zelf de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 4 oktober 2022 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten van €907,- aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 4 oktober 2022 en vernietigt het besluit voor zover dat de ingangsdatum betreft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6715

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam]

V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. W. Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] de minister
(gemachtigde: A.N. Sap).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de inwilliging van zijn asielaanvraag. Het beroep richt zich tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning.
1.1.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de uitspraak van de Afdeling [2] over de betekenis van de loopbrief voor de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel. [3] De minister heeft hierop gereageerd.
1.2.
Eiser is vervolgens in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de reactie van de minister. Eiser heeft hier gebruik van gemaakt.
1.3.
De partijen hebben de rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning van eiser vast te stellen op 4 oktober 2022 en te bepalen dat de uitspraak van de rechtbank in de plaatst treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. Omdat partijen toestemming hebben gegeven om de zaak zonder zitting af te doen, heeft de rechtbank de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten. [4]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de ingangsdatum van de verblijfsvergunning van eiseres juist heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Eiser voert aan dat bij (bestreden) besluit van 1 februari 2024 de minister aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend met ingang van 13 oktober 2022 en geldig tot 13 oktober 2027. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning. Hij voert aan dat de verblijfsvergunning verleend moet worden met ingang van 4 oktober 2022. Hij heeft zich op die datum namelijk gemeld in het Aanmeldcentrum in Ter Apel. Dat blijkt uit ook uit de overgelegde loopbrief, afgegeven op 4 oktober 2022.
4. De minister stelt zich per brief van 11 februari 2025 op het standpunt dat uit de genoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat de aanvraag geldt als ontvangen op het moment dat een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten zijn asielwens heeft kenbaar gemaakt. De minister meent dat uit de loopbrief blijkt dat eiser op 4 oktober 2022 zijn asielwens heeft geuit en deze datum als ingangsdatum dient te gelden van de verleende vergunning. Zij verzoekt de rechtbank zelf in de zaak te voorzien en bij de proceskostenveroordeling de wegingsfactor zeer licht (0.25) toe te passen.
5. Eiser voert in zijn reactie van 13 februari 2025 aan dat hij de mening van de minister deelt voor zover deze ziet op de aanpassing van de ingangsdatum van de verblijfsvergunning. Eiser kan zich niet vinden in de door de minister voorgestelde proceskostenvergoeding en stelt, met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2025, dat in onderhavige zaak de reguliere proceskosten dienen te worden toegekend.
6. De rechtbank oordeelt dat de minister de ingangsdatum van de verblijfsvergunning in het bestreden besluit niet juist heeft vastgesteld. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2025 volgt uit de wet [5] en het Unierecht dat de asielaanvraag is ontvangen op het moment dat een vreemdeling in persoon bij de autoriteiten zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Dit moment kan bijvoorbeeld blijken uit de loopbrief. Eiser heeft op 4 oktober 2022, de datum van de loopbrief, zijn asielwens kenbaar gemaakt. Dit betekent dat de beroepsgrond slaagt en het beroep gegrond is.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank vernietigt het besluit, voor zover dat ziet op de ingangsdatum, omdat het besluit op dit punt in strijd is met een wettelijke bepaling. Uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen op 4 oktober 2022 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. [6]
7.1.
De minister moet de proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 907,-. [7] De rechtbank ziet geen aanleiding om een lagere wegingsfactor toe te passen. In principe behoort een behandeling van een beroepszaak tot de categorie gemiddeld, tenzij er redenen zijn om daarvan af te wijken. Die redenen ziet de rechtbank hier niet. Het beroep tegen de ingangsdatum vraagt namelijk een inhoudelijke beoordeling. Ook in de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2025 ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om van een lagere wegingsfactor uit te gaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 1 februari 2024, voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is vastgesteld op 13 oktober 2022;
  • stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 4 oktober 2022;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 1 februari 2024, voor zover dat is vernietigd;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.20 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:159).
4.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
5.Zie artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
6.Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b van de Awb.
7.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepsschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1.