ECLI:NL:RBDHA:2025:2803

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2025
Publicatiedatum
25 februari 2025
Zaaknummer
C/09/679012/KG RK 25-81
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39, derde lid, Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 8:18, derde lid, Algemene wet bestuursrechtArt. 515, derde lid, Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters wegens vermeende vooringenomenheid bij gevangenneming

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de rechtbank Den Haag, stellende dat deze vooringenomen waren omdat de rechtbank had aangegeven voornemens te zijn tot zijn gevangenneming. Verzoeker voelde zich hierdoor in een hoek gedrukt en vreesde dat de beslissing al vaststond zonder dat hij zich kon uitlaten.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en vastgesteld dat de rechtbank slechts een voorlopig oordeel had gegeven en verzoekers advocaat de gelegenheid had geboden om hierop te reageren, inclusief een schorsing van de zitting van dertig minuten voor hoor en wederhoor. Tevens werd benadrukt dat de rechtbank nog geen definitieve beslissing had genomen.

De vermeende onjuistheid in de schriftelijke reactie van de rechters over camerabeelden en een bekentenis werd niet als reden voor vooringenomenheid gezien, omdat dit slechts een toelichting betrof op de aanwezigheid van ernstige bezwaren en niet op het eindoordeel.

De wrakingskamer concludeerde dat geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bestond en wees het wrakingsverzoek af. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals het was ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen en het strafproces wordt voortgezet.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2025/03
zaak- /rekestnummer: C/09/679012 / KG RK 25-81
Beslissing van 24 februari 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. R.B. Schmidt te Noordwijk,
strekkende tot de wraking van
mr. P. Burgers, mr. S.M. van der Schenk en mr. W.R. van Hattum,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 21 januari 2025 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de ongedateerde schriftelijke reactie van de rechters, ontvangen op 29 januari 2025.
1.2.
Op 10 februari 2025 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- mr. R.B. Schmidt, de advocaat van verzoeker;
- de moeder en stiefvader van verzoeker, als toehoorders.
De rechters hebben laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de zaak met parketnummer 09/323595-24 tegen verzoeker als verdachte.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Verzoeker heeft de indruk gekregen dat de beslissing tot zijn gevangenneming al genomen was, omdat dit gebeurt op initiatief van de rechtbank en niet op initiatief van de officier van justitie. Verzoeker vertrouwt er niet op dat hij nog een kans krijgt als hij niet zelf het woord kan doen. Als vooraf duidelijk was geweest dat dit ter sprake zou komen, had hij zelf bij de zitting aanwezig willen zijn om zich uit te laten over hoe het met hem gaat. Verzoeker is een zeer kwetsbare jongen met een meervoudige autismespectrumstoornis en met een hoge mate van beïnvloedbaarheid. Hij heeft een intensieve behandeling nodig die zich niet verhoudt tot gevangen zitten. Verzoeker kan nu niet zelf in gesprek met de rechters over eventuele bijzondere (schorsings)voorwaarden. Door deze gang van zaken heeft verzoeker het gevoel dat de beslissing al vaststaat; hij voelt zich in een hoek gedrukt en er rest niets anders dan een verzoek tot wraking. Tijdens de zitting van 10 februari 2025 is namens verzoeker het wrakingsverzoek nader toegelicht. Hierbij is aangegeven dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is van ernstige bezwaren tegen verzoeker zeer dicht grenst aan de vaststelling van schuld. Ook los daarvan heeft de rechtbank met de door haar gekozen bewoordingen aangegeven dat de beslissing tot gevangenneming in feite al vaststaat, terwijl de argumenten van de procespartijen daarover nog niet waren gehoord. Daarmee is de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd. Omdat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat verzoeker een bekennende verklaring heeft afgelegd en heeft geoordeeld dat sprake is van duidelijke camerabeelden is de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid des te groter.
2.3.
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
De wrakingskamer stelt op grond van het proces-verbaal van de zitting van
21 januari 2025 vast dat de rechtbank heeft aangegeven voornemens te zijn de gevangenneming van verzoeker te bevelen. Naar het oordeel van de wrakingskamer maakt die enkele mededeling niet dat sprake is van vooringenomenheid. De advocaat van verzoeker is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank, terwijl de rechtbank hiertoe op grond van de wet niet toe verplicht was. Door het uitspreken dat er volgens de rechtbank sprake was van voldoende ernstige bezwaren en gronden om de gevangenhouding van verzoeker te bevelen, heeft de rechtbank een voorlopig oordeel gegeven. De zitting is vervolgens voor dertig minuten geschorst om de advocaat voldoende tijd te geven op het voorlopig oordeel van de rechtbank te reageren. Hiermee is naar het oordeel van de wrakingskamer voldoende gelegenheid gegeven voor hoor en wederhoor, om in te gaan op het voorlopig oordeel van de rechtbank en om de rechtbank hierover op andere gedachten te brengen.
3.3.
Naar het oordeel van de wrakingskamer blijkt juist uit het feit dat de rechtbank verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op het voornemen dat de rechtbank nog geen beslissing over de gevangenneming van verzoeker had genomen. Dat in de schriftelijke reactie van de rechters is opgenomen dat zich in het dossier duidelijke camerabeelden bevinden van een en ander en de verdachte bij de rechter-commissaris de feitelijke toedracht heeft bekend, hetgeen volgens verzoeker onjuist is, maakt dit niet anders, aangezien dit een toelichting van de rechters betreft op de vraag of voldoende ernstige bezwaren en gronden om de gevangenneming van verzoeker te bevelen aanwezig waren en deze toelichting geen betrekking heeft op en dus ook niets zegt over een (eventueel) eindoordeel. Gelet hierop is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken dat sprake zou zijn van vooringenomenheid.
3.4.
Uit het voorgaande volgt dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering/artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht/artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn advocaat mr. R.B. Schmidt;
• de officier van justitie mr. L.E. van der Leeuw;
• de rechters.
Deze beslissing is gegeven door mrs. mrs. G.P. Kleijn, E.E. Schotte en D.M. Drok, in tegenwoordigheid van de griffier D. van den Born en in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.