Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 7 juli 2023 en had zes maanden plus een verlenging van negen maanden om te beslissen. Eiseres stelde de minister op 26 november 2024 in gebreke en diende daarna haar beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de gestelde termijn heeft beslist.
De rechtbank legt een nadere beslistermijn op volgens het 8+8- wekenmodel: binnen acht weken na verzending van het vonnis moet de minister een gehoor afnemen over de asielmotieven van eiseres, gevolgd door een besluit binnen acht weken daarna, in totaal maximaal zestien weken. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor het overschrijden van deze termijn.
Hoewel de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND bepaalt dat geen dwangsom verschuldigd is bij niet tijdig beslissen op een verblijfsvergunning asiel, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat deze bepaling onverbindend is, waardoor de dwangsom wel van toepassing is.
De minister wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.B. Thépass op 21 februari 2025.