Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27570

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
24/14678
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Verordening 810/2009Art. 21 Verordening 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet-betrokken garantstelling bij afwijzing visum kort verblijf

Eiser vroeg op 24 april 2024 een visum voor kort verblijf aan voor familiebezoek en een bruiloft. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 10 mei 2024 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 4 oktober 2024. Eiser ging in beroep tegen deze afwijzing.

De rechtbank oordeelt dat de garantstelling van de referent, die zowel logiesverstrekking als financiële garanties voor vijf jaar omvat, niet kenbaar is betrokken in de besluitvorming. Dit is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De eerdere bezwaren over de familierechtelijke relatie en economische binding zijn door verweerder ter zitting laten vallen of onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eiser. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege het niet betrekken van de garantstelling in de besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/14678
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1991, van Marokkaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. R. Ghanem),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een visum voor kort verblijf afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 oktober 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Eiser is in beroep gegaan tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2025. De gemachtigden van partijen hebben aan de zitting deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt in deze zaak het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden die hij heeft aangevoerd.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Achtergrond
3. Eiser heeft op 24 april 2024 verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf met als reisdoel een familiebezoek en het bezoeken van een bruiloft op 1 juli 2024. De heer [persoon] is de neef van eiser en heeft zich opgegeven als referent en heeft verklaard logies te willen verstrekken aan eiser en garant te staan voor hem.
Besluitvorming
4. Verweerder is in het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag van eiser gebleven. Eiser heeft het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aangetoond, waarbij ook de relatie met de referent niet aannemelijk is gemaakt. [1] De familierechtelijke relatie is niet aangetoond met de documenten die eiser heeft overgelegd. Daarbij is er geen uitreisdatum aangegeven op het visumaanvraagformulier. Verder zijn de economische en sociale binding met het land van herkomst onvoldoende aangetoond, waardoor er een redelijke twijfel bestaat dat eiser voor het verstrijken van de visumtermijn het land zal verlaten. [2] Eiser is (relatief) jong, ongehuwd en heeft geen kinderen. Niet is gebleken dat eiser zodanig is gebonden aan de familieleden in Marokko, dat zij afhankelijk van hem zijn. Met betrekking tot de economische binding heeft eiser verklaard werkzaam te zijn als verkoper. Uit de stukken kan niet worden opgemaakt dat eiser inkomen genereert uit zijn bedrijf en dat hij daadwerkelijk inkomsten ontvangt. Daarbij komt dat de stortingen op de betaalrekeningen die zijn overgelegd , niet in verhouding staan met het gestelde inkomen van eiser. Er zijn ook geen recente betalingen van belastingen overgelegd. Gelet op het voorgaande is het bezwaar volgens verweerder kennelijk ongegrond en is er van horen afgezien.
Beoordeling
Doel en omstandigheden van het verblijf
5. Eiser voert aan dat uit de documenten die zijn overgelegd voldoende blijkt dat eiser en referent neven van elkaar zijn. Er is een verklaring van verwantschap afgegeven door de Vicepresident van de gemeente, met daarbij een origineel zegel. Eiser gaat bij referent verblijven en daaruit kan ook worden opgemaakt dat zij neven van elkaar zijn.
5.1.
Ter zitting heeft verweerder de tegenwerping dat het reisdoel en de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent niet is aangetoond, laten vallen. Volgens verweerder is de familierechtelijke band tussen eiser en referent voldoende vast komen te staan. Deze beroepsgrond behoeft dan ook geen bespreking meer.
Vestigingsgevaar: de economische en sociale binding
6. Eiser voert aan dat hij de verantwoordelijkheid draagt voor zijn ouders en dat zij afhankelijk van hem zijn. Referent heeft een verklaring ondertekend waarmee hij garant staat voor de kosten van eiser als hij niet zou terugkeren binnen de visumtermijn. Met betrekking tot de onderneming van eiser is aangevoerd dat de compagnon van eiser de belastingaanslag betaalt, hetgeen verrekend wordt met zijn inkomsten. De hoge bedragen op de rekening zijn afkomstig van stortingen in contant geld die worden gedaan, nu veel van de onderdelen met contant geld worden gekocht.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat referent zowel een verklaring van logiesverstrekking als een garantstelling heeft ondertekend. Dat betekent dat referent zowel heeft verklaard in te staan voor de accommodatie van eiser tijdens zijn verblijf in Nederland, als voor de duur van vijf jaar garant te staan voor de betalingen van de kosten van het verblijf, de medische verzorging en de repatriëring die worden veroorzaakt door eiser indien hij de termijn van zijn visum overschrijdt. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt ter zitting dat de garantstelling niet ziet op een tijdige terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst. [3] De garantstelling is immers van kracht voor de duur van vijf jaar, totdat de aanvrager het Schengengebied verlaat en ziet op kosten die zouden ontstaan indien de aanvrager de termijn van het visum overschrijdt. [4] De garantstelling dient dan ook ter onderbouwing van een tijdige terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst. Verweerder heeft ten onrechte deze garantstelling niet kenbaar betrokken in de besluitvorming.
6.2.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat reeds hierom het beroep gegrond is. De overige gronden behoeven dan ook geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
8. Nu het beroep gegrond is krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verweerder moet daarnaast het griffierecht ter hoogte van €187,- aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 4 oktober 2024;
  • draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak; en
  • veroordeelt verweerder tot betaling van €1.814,- aan proceskosten aan eiser; en
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €187,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.
griffier de rechter is verhinderd om te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 32, sub a onder ii van Verordening 810/2009 (hierna: de Visumcode).
2.Artikel 32, sub b van de Visumcode.
3.Hiertoe verwijst verweerder naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 22 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21258.
4.De titel van artikel 21 van Pro de Visumcode is “controle van de voorwaarden voor binnenkomst en risicobeoordeling”, waar in het vijfde lid van dat artikel is opgenomen dat een bewijs van garantstelling ook de toereikendheid van de middelen van bestaan kan aantonen.