Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 10 januari 2024 ontvangen, maar de minister had binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden nog geen besluit genomen. Eiser stelde de minister op 29 oktober 2025 schriftelijk in gebreke, waarna hij meer dan twee weken later beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-.
De rechtbank kan de hoogte van reeds verbeurde dwangsommen niet vaststellen omdat de wettelijke bepalingen hierover sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn, tenzij de minister vóór die datum in gebreke was gesteld, wat hier niet het geval is. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 453,50 wegens inschakeling van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 19 december 2025. Eiser kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.