Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag van 29 augustus 2024 voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging, ontvangen op 2 september 2024. De rechtbank constateert dat de beslistermijn van 90 dagen, met verlenging van maximaal drie maanden, is overschreden en dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Hierdoor is het beroep terecht en gegrond verklaard.
De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen, tenzij de minister binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en dit schriftelijk aan eiser meedeelt; in dat geval geldt een termijn van twintig weken. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijnen, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en een proceskostenvergoeding van € 453,50, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld. De uitspraak is gedaan zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten.
De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin uitgangspunten voor nadere beslistermijnen bij nareisaanvragen zijn geformuleerd en past deze toe. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk blijft wanneer hij zal beslissen. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming in vreemdelingenzaken en de rechtsbescherming van betrokkenen.