Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 11 december 2023, maar had niet binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden een besluit genomen. Eiser stelde de minister op 15 oktober 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de beslistermijn heeft beslist en de ingebrekestelling correct is gedaan. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen, waarbij rekening is gehouden met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en het beperkte onderwerp van het geschil.
De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier C.A.A.W. van der Heijden en is op 4 december 2025 in het openbaar bekendgemaakt.