ECLI:NL:RBDHA:2025:27282
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier voor verblijf als familie- of gezinslid bij zoon
Eisers, geboren in 1950 en verblijvend in Syrië, vroegen een verblijfsvergunning regulier aan om bij hun zoon, die sinds 2015 in Nederland woont en de Nederlandse nationaliteit heeft, te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat er sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en de referent, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van eiser 1 inmiddels was aangetoond en dat de minister terecht oordeelde dat de financiële steun van de referent niet verder gaat dan wat gebruikelijk is tussen volwassen kinderen en ouders. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat de medische situatie van eisers hen exclusief afhankelijk maakt van de referent, mede omdat passende zorg in Syrië beschikbaar is.
Eisers voerden aan dat zij vanwege hun Palestijnse achtergrond geen adequate hulp kunnen krijgen in Syrië, maar deze stelling was niet tijdig en onvoldoende onderbouwd. De rechtbank oordeelde dat de minister de relevante feiten en omstandigheden voldoende heeft betrokken en dat het beroep ongegrond is. De hoorplicht was niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor eisers geen recht hebben op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid.