Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is op 16 november 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist deze grondslag en stelt dat de bewaring op grond van artikel 59b had moeten plaatsvinden vanwege een herhaalde asielaanvraag op 30 oktober 2025.
De rechtbank oordeelt dat de bewaring terecht is opgelegd op grond van artikel 59a, omdat deze grondslag prevaleert wanneer meerdere gronden mogelijk zijn. De minister had concrete aanknopingspunten dat de Dublinverordening van toepassing is, mede omdat de Duitse autoriteiten het claimakkoord hadden geaccepteerd. De rechtbank stelt vast dat de zwaarwegende en lichte gronden voor bewaring, zoals genoemd in het Vreemdelingenbesluit, voldoende zijn gemotiveerd en niet zijn betwist.
Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt omdat hij langer dan twee weken in bewaring zit zonder overdracht. De rechtbank oordeelt dat de uitstel van de vlucht naar 4 december 2025 te wijten is aan noodzakelijke afstemming met Duitse autoriteiten en dat de termijn van twee weken niet in de wet is vastgelegd. De ambtshalve toets leidt tot het oordeel dat de bewaring niet onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.