ECLI:NL:RBDHA:2025:27235

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL25.57091
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:31 AwbArt. 8:42 AwbArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en informatieplicht bij uitzetting

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat verweerder zijn informatieplicht had geschonden door relevante stukken niet te overleggen en onvoldoende voortvarend te handelen bij de uitzetting.

De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende stukken had ingediend om de rechtmatigheid van de bewaring te beoordelen, waaronder verslagen van vertrekgesprekken en een aanbiedingsbrief met informatie over de uitzetting. De stelling dat verweerder in andere zaken tekort was geschoten, bood geen grond om aan te nemen dat dit hier ook het geval was.

Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder voortvarend handelde door tijdig vertrekgesprekken te voeren, rappels te doen bij betrokken instanties en contact te onderhouden met de Marokkaanse vertegenwoordiger. De beroepsgrond faalde en het beroep werd ongegrond verklaard.

De rechtbank wees ook het verzoek om schadevergoeding af en vond geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring en het beginsel van non-refoulement leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57091

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Informatieplicht en voortvarend handelen
1. Eiser betoogt dat verweerder zijn informatieplicht, als bedoeld in de artikelen 8:31 en 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft geschonden. Daartoe voert eiser enerzijds aan dat verweerder een groot aantal stukken heeft ingebracht die hooguit zijdelings te maken hebben met de inbewaringstelling, en verweerder anderzijds de echt relevante stukken niet heeft toegevoegd. Zo heeft verweerder nagelaten om de rappels, waar in de aanbiedingsbrief van 2 december 2025 naar wordt verwezen, met stukken te onderbouwen. Derhalve kan niet worden gecontroleerd of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Gemachtigde van eiser wijst daarbij op vier zaken waarin de rechter had verzocht de rappels te onderbouwen en waaruit bleek dat dit in die gevallen niet correct was gebeurd. Dit handelen van verweerder levert voorts een schending op van het beginsel van een eerlijk proces. [1]
2. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 8:42 van Pro de Awb volgt dat het aan verweerder is om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieraan voldaan en beschikt de rechtbank over voldoende informatie en stukken om de rechtmatigheid van de bewaring te kunnen beoordelen en om te kunnen beoordelen of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Zo bevinden zich in het dossier de verslagen van twee vertrekgesprekken die na de huidige inbewaringstelling met eiser zijn gevoerd. Daarnaast bevat het dossier de aanbiedingsbrief van 2 december 2025, waarin informatie van de regievoerder is opgenomen over de inbewaringstelling en uitzetting van eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de feitelijke juistheid van deze informatie te twijfelen. De enkele stelling dat in vier andere zaken, waarin de rechter had verzocht de rappels met stukken te onderbouwen en bleek dat daar iets mis mee was gegaan, is onvoldoende aanleiding om te concluderen dat verweerder de rappels in het onderhavige geval ook met stukken had moeten onderbouwen.
2.1.
Wat betreft de beoordeling of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser, overweegt de rechtbank het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is. Uit het dossier blijkt dat verweerder op de vijfde dag van de inbewaringstelling, op 28 oktober 2025, een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Een verslag daarvan bevindt zich ook in het dossier. Daarnaast volgt uit de aanbiedingsbrief van 2 december 2025 dat verweerder op 27 oktober 2025 en 2 december 2025 de landvertegenwoordiger Marokko heeft gevraagd naar de mogelijkheden om de laissez-passer (lp) te vernieuwen en dat verweerder op 29 oktober 2025, 3 november 2025 en 27 november 2025 bij de Directie Internationale Aangelegenheden (DIA) heeft gerappelleerd ten aanzien van de stand van zaken. Uit dezelfde aanbiedingsbrief volgt ook dat de DIA op 4 november 2025 bij de Marokkaanse vertegenwoordiger heeft gevraagd naar de stand van zaken. Daarnaast heeft verweerder op 1 december 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd waar zich ook een verslag van in het dossier bevindt. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
2.2.
De beroepsgrond dat verweerder zijn informatieplicht heeft geschonden en dat daardoor niet kan worden beoordeeld of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser, slaagt gelet op de rechtsoverwegingen 2. en 2.1. niet. Van een schending van het beginsel op een eerlijk proces is dan ook geen sprake.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.