ECLI:NL:RBDHA:2025:27129

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
25.59402
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een Algerijnse vreemdeling en de afweging van medische zorg in detentie

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarbij aan de eiser, een Algerijnse vreemdeling, de maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Tijdens de zitting op 15 december 2025 is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en is er een tolk aanwezig geweest. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft overwogen dat de minister voldoende gronden heeft aangevoerd voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft betoogd dat de zware grond 3i, die betrekking heeft op zijn medewerking aan terugkeer, niet aan de bewaringsmaatregel ten grondslag kon worden gelegd. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard niet terug te kunnen keren naar Algerije, wat de zware grond 3i feitelijk juist maakt. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, en dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd is.

Eiser heeft ook aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast dan inbewaringstelling, met name in het licht van zijn medische situatie en de toegankelijkheid van zorg in detentie. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maatregel dan inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de medische zorg in het detentiecentrum adequaat is en dat eiser niet heeft aangetoond dat de bewaringsmaatregel onevenredig bezwarend is. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59402

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, hetgeen is gebleken uit de omstandigheden dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3. De minister heeft ter zitting de grond 4f laten vallen.
4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de zware grond 3i niet aan de bewaringsmaatregel ten grondslag kon worden gelegd. Eiser heeft alleen aangegeven dat hij zijn medische behandeling in Nederland wil voortzetten en dat hij nog een rechtszaak in Duitsland heeft lopen, waardoor hij niet terug kan naar Algerije. Volgens eiser kan de minister hem daarom niet zonder meer tegenwerpen dat hij niet wil meewerken aan terugkeer naar Algerije. De overige zware gronden heeft eiser niet betwist.
5. De rechtbank overweegt dat eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan zijn inbewaringstelling expliciet heeft verklaard dat hij niet terug kan keren naar Algerije en hij heeft desgevraagd ook niet gezegd dat hij daaraan wel mee zal werken, zodat gelet daarop de zware grond 3i feitelijk juist is. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829) en 25 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3442) kan bij de zware grond onder 3i in het algemeen worden volstaan met een feitelijke toelichting. De feitelijke juistheid van die zware grond geeft in beginsel grond om aan te nemen dat aan het vereiste van een risico op onttrekken is voldaan. Een nadere toelichting waarom uit die zware grond een risico op onttrekking volgt is daarom niet vereist. Dit betreft een weerlegbaar rechtsvermoeden. Eiser is er met hetgeen hij ter zitting naar voren heeft gebracht niet in geslaagd dit rechtsvermoeden te weerleggen. De minister heeft de zware grond 3i dan ook aan eiser kunnen tegenwerpen.
6. Naar het (ambtshalve) oordeel van de rechtbank volgt uit de zware grond 3i en de overige niet betwiste zware en lichte gronden – met de gegeven motivering en in onderlinge samenhang bezien – dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dan ook dragen.
7. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel dan inbewaringstelling. Volgens eiser heeft de minister zijn verklaringen omtrent de omstandigheid dat hij in zijn gezicht is gesneden en de littekens die daardoor zijn ontstaan onvoldoende betrokken. Daarnaast is de minister onvoldoende ingegaan op de medische situatie met betrekking tot zijn drugsverslaving en afkicktraject. Eiser heeft er op gewezen dat hij in Zwitserland medicatie kreeg voor zijn verslaving, terwijl hij dat in Nederland niet krijgt. In Nederland krijgt hij vanuit detentie dus niet wat hij nodig heeft. Daarbij heeft eiser er nog op gewezen dat de medische zorg in detentie onvoldoende toegankelijk is, omdat hij al drie weken probeert een afspraak te krijgen bij de medische dienst waarbij hij het over zijn medicatie wil hebben, maar dat dit nog steeds niet is gelukt. Volgens eiser is de maatregel van bewaring dan ook onevenredig bezwarend.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Daarbij heeft te gelden dat de gronden die terecht aan de bewaringsmaatregel ten grondslag zijn gelegd – en de daarbij gegeven motivering – wijzen op een risico op onttrekking aan het toezicht. De door eiser genoemde medische problemen, en dan specifiek zijn drugsverslaving en zijn afkickproces zijn kenbaar meegewogen. De minister heeft er in de bewaringsmaatregel op gewezen dat in het detentiecentrum medische zorg aanwezig is die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij en dat eiser daar gebruik van kan maken. De rechtbank ziet ook niet in waarom de minister nog eens expliciet had moeten benoemen dat de omstandigheden dat eiser in zijn gezicht is gesneden en littekens heeft bij de belangenafweging zijn betrokken. Eiser benoemt dit in het gehoor vooral om te onderbouwen dat hij terug wil naar Duitsland en niet terug kan naar Algerije, niet als een medische belemmering voor de maatregel. De minister kon op dit punt dan ook volstaan met de mededeling dat er in het detentiecentrum medische zorg aanwezig is.
9. Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken en niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat de medische zorg voor eiser niet adequaat of niet toegankelijk is. Eiser is bekend bij de medische dienst van het detentiecentrum en daar is beoordeeld dat medicatie voor eiser niet langer noodzakelijk wordt geacht en dat hij het gebruik daarvan moet afbouwen. Eiser is hier schriftelijk van op de hoogte gesteld. Verder blijkt uit het door eiser overgelegde patiëntendossier dat hij op 24 en 25 november 2025 een medische intake heeft gehad in het detentiecentrum en dat er ook een afspraak is gepland met een huisarts voor 15 december 2025. Dat eiser eerder persoonlijk een arts wil zien of spreken maar dat dat niet gebeurt, betekent niet dat de medische zorg voor hem niet toegankelijk is. Het is aan de medische dienst om eisers medische problematiek te beoordelen en daarbij te bepalen welke contacten en acties noodzakelijk zijn. Voor zover eiser het niet eens is met de manier waarop voor hem de medische dienst beschikbaar is, moet hij daarover een klacht indienen bij het detentiecentrum. Dat hij het niet eens is met het (medische) beleid, namelijk het afbouwen van de medicatie, betekent evenmin dat medische zorg niet voor hem beschikbaar is. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de bewaringsmaatregel voor eiser onevenredig bezwarend is.
10. Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden niet leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is te achten. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring is. [1] Bovendien is niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement en/of de eerbiediging van zijn gezins- of familieleven zich tegen de uitzetting van eiser verzet. [2]
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van
K. Postema, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.
2.Arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025 in de zaak GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU [Adrar], ECLI:EU:C:2025:647.