ECLI:NL:RBDHA:2025:27113
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening tegen afwijzing gecombineerde vergunning verblijf en arbeid
Eiser, een Surinaamse nationaliteit dragende docent biologie, diende op 10 september 2024 een aanvraag in voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om in Nederland te werken. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af op 7 november 2024, mede op basis van een negatief advies van het UWV, dat stelde dat niet was voldaan aan artikel 8 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing, maar deed dit op 15 april 2025, wat later was dan de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken na het bestreden besluit van 13 maart 2025. De rechtbank oordeelde dat het beroep daardoor niet tijdig was ingediend. Eiser voerde aan dat de termijnoverschrijding te wijten was aan meerdere lopende procedures, een wisseling van gemachtigde en communicatieproblemen, maar de rechtbank vond deze omstandigheden onvoldoende om de overschrijding te verontschuldigen.
De rechtbank verwierp het beroep daarom als niet-ontvankelijk en zag geen aanleiding om de inhoudelijke beroepsgronden te behandelen. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Smeets op 19 december 2025.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.