ECLI:NL:RBDHA:2025:27108

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
AWB 25/6866
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 7:11 AwbArt. 8 EVRMArt. 20 VWEUArt. 4:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buiten behandeling stelling aanvraag verblijfsvergunning familie en gezin bij partner

Eiser, een Venezolaanse nationaliteit dragende persoon, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel familie en gezin bij zijn partner. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb, omdat eiser niet de vereiste bewijsstukken had overgelegd ondanks geboden hersteltermijn.

Eiser voerde aan dat hij de gevraagde documenten reeds had ingediend en dat het terugkeerbesluit en de SIS-signalering onterecht waren. Tevens stelde hij dat verweerder het lopende artikel 20 VWEU Pro-procedure niet had betrokken en dat hij geen uitnodiging voor een hoorzitting had ontvangen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder binnen zijn bevoegdheid had gehandeld, dat eiser onvoldoende had onderbouwd waarom de stukken niet eerder waren ingediend, en dat de overgelegde stukken in beroep buiten beschouwing blijven. Het motiveringsgebrek omtrent het terugkeerbesluit was niet doorslaggevend en eiser was niet in zijn belangen geschaad.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand, en eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de buiten behandeling stelling van de aanvraag verblijfsvergunning familie en gezin bij partner wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/6866

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.E. Martis),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.N.J. Versteeg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juni 2024 niet in behandeling genomen. Met het bestreden besluit van 24 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Venezolaanse nationaliteit. Eiser beschikte in de periode 1 december 2021 tot 1 december 2022 over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘arbeid als kennismigrant’. Hij heeft op 8 maart 2024 een aanvraag ingediend voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ bij zijn partner, [referente] (referente).
3. Verweerder heeft de aanvraag, op grond van artikel 4:5, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld, omdat eiser – ondanks het bieden van herstel van het verzuim – niet de vereiste bewijsstukken aan verweerder heeft overgelegd. [1]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser heeft de gevraagde documenten eerder overgelegd en begrijpt niet waarom verweerder deze stukken niet in zijn bezit heeft. Ook heeft eiser in beroep de gevraagde documenten overgelegd. Verder is eiser het niet eens met het opgelegde terugkeerbesluit en de SIS-signalering, nu hij aan alle vereisten voor de vergunningverlening voldoet. Eiser doet een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM [2] . Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte niet betrokken dat eiser ook een procedure voor een verblijfsdocument op grond van artikel 20 VWEU Pro [3] voert. Aan het besluit kleeft daarom een motiveringsgebrek. Tot slot heeft eiser geen uitnodiging voor een hoorzitting ontvangen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, de bevoegdheid heeft om een aanvraag niet te behandelen als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking, mits verweerder de aanvrager een termijn heeft geboden om de aanvraag aan te vullen (het verzuim te herstellen).
7. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat met een besluit om een aanvraag buiten behandeling te stellen, in beginsel een eind komt aan het besluitvormingstraject en dat de aanvrager de gevolgen van dit besluit niet ongedaan kan maken door de oorspronkelijke aanvraag in bezwaar alsnog aan te vullen. Dat heeft tot gevolg dat een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op bezwaar eerst en vooral moet beoordelen of het besluit waarmee de aanvraag buiten behandeling is gesteld rechtmatig was. [4] Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt ook dat op grond van artikel 7:11 van Pro de Awb in het geval van een ontvankelijk bezwaar een heroverweging plaatsvindt van het op de aanvraag genomen besluit. De aard van deze heroverweging in bezwaar brengt met zich dat het bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om na een juiste toepassing van artikel 4:5 van Pro de Awb de alsnog overgelegde gegevens en bescheiden in de heroverweging te betrekken en alsnog een inhoudelijk besluit op de aanvraag te nemen. Het staat het bestuursorgaan vrij om de ontbrekende gegevens en bescheiden die na het nemen van het besluit op de aanvraag alsnog zijn overgelegd bij de heroverweging in aanmerking te nemen. Het bestuursorgaan is hier echter niet toe verplicht. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid die terughoudend door de rechter moet worden getoetst. [5]
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gehandeld binnen zijn bevoegdheid. Aan eiser is de gelegenheid geboden om zijn aanvraag te onderbouwen. Verweerder heeft op 16 mei 2024 aan eiser gevraagd om zijn aanvraag binnen twee weken compleet te maken met een aantal specifieke documenten die noodzakelijk zijn om de aanvraag van eiser inhoudelijk te kunnen beoordelen. Eiser heeft vervolgens op 31 mei 2024 om acht weken uitstel verzocht. Verweerder heeft geen uitstel verleend en heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld. In de bezwaarfase heeft verweerder eiser per mail nogmaals de gelegenheid geboden om de gevraagde documenten te overleggen en gevraagd of eiser een hoorzitting wilde. Eiser heeft op deze mails niet gereageerd. Verweerder heeft eiser dan ook mogen tegenwerpen dat niet is onderbouwd waarom hij niet al bij de aanvraag de benodigde stukken heeft ingediend noch waarom hij dit niet in de herstelverzuimtermijn en in bezwaar heeft gedaan. Zonder de benodigde stukken kon geen inhoudelijke beoordeling plaatsvinden. Verder heeft eiser zelf besloten om een aanvraag in te dienen op een moment waarop de benodigde stukken voor de behandeling van zijn aanvraag kennelijk niet compleet waren. De gevolgen van deze keuze komen voor zijn eigen rekening en risico. De omstandigheid dat er een Chavez-aanvraag loopt, doet niet af aan het feit dat verweerder de aanvraag terecht buiten behandeling heeft gesteld en is verder voor deze zaak niet van belang. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat de Chavez-aanvraag is afgewezen en de bezwaarprocedure momenteel loopt. De stelling van eiser dat hij de gevraagde stukken al eerder heeft overgelegd en documenten bij verweerder vaker zoekraken, is niet onderbouwd en verweerder heeft op zitting aangegeven daar niet mee bekend te zijn. Reeds hierom kan deze enkele stelling niet leiden tot een ander oordeel.
9. Eiser heeft in beroep een aantal documenten overgelegd. Ten aanzien van deze documenten overweegt de rechtbank dat in onderhavige zaak in geschil is of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de aanvraag onvolledig was en om die reden de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter laat de bestuursrechter bewijsmiddelen die zijn bedoeld om de onvolledige aanvraag alsnog aan te vullen, in beroep buiten beschouwing. [6] De overgelegde stukken in beroep vallen hierom niet onder de omvang van het geding. Gelet op wat is overwogen onder rechtsoverweging 8, heeft verweerder de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld. De enkele, niet onderbouwde stelling van eiser dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM met zijn partner, leidt evenmin tot het oordeel dat de aanvraag ten onrechte buiten behandeling zou zijn gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Tot slot heeft verweerder op zitting aangegeven dat in het primaire besluit ten onrechte is opgenomen dat aan eiser een nieuw terugkeerbesluit is opgelegd, nu in de vorige procedure op 28 augustus 2023 al een terugkeerbesluit was opgelegd. Dit besluit staat in rechte vast. De rechtbank constateert dat dit een gebrek in de besluitvorming is. Dit gebrek leidt echter niet tot een andere uitkomst en verweerder heeft dit gebrek voldoende hersteld met wat op zitting hierover is aangevoerd. Eiser is als gevolg van dit gebrek dan ook niet in zijn belangen geschaad. Het terugkeerbesluit van 28 augustus 2023 staat in rechte vast en is nog van kracht, nu niet is gebleken dat eiser aan zijn terugkeerverplichting heeft voldaan. Daarbij was verweerder verplicht het terugkeerbesluit te signaleren in SIS. [7] Eisers beroepsgrond dat het terugkeerbesluit niet opgelegd had mogen worden omdat hij aan alle voorwaarden voor vergunningverlening voldoet, slaagt, gelet wat in rechtsoverweging 8 en 9 is overwogen, niet.
11. De enkele stelling van eiser dat hij de uitnodiging voor een hoorzitting niet zou hebben ontvangen wordt, gelet op de door verweerder bij het verweerschrift overgelegde uitnodiging die per e-mail op 23 december 2024 aan de gemachtigde van eiser is verzonden, niet gevolgd.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
13. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 4:2 van Pro de Awb, artikel 24 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en paragraaf B1/3.4.1.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6620.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 12 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1905 en 14 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:459.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853, r.o. 6.
7.Zie artikel 3, eerste lid van de Verordening 2018/1860.