De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 30 april 2023. Gezien het overschrijden van de wettelijke beslistermijn van 15 maanden en het rechtsgeldig in gebreke stellen van de minister, werd het beroep kennelijk gegrond verklaard zonder zitting.
De rechtbank baseerde zich op de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000, waarbij de beslistermijn met negen maanden was verlengd maar toch was overschreden. De rechtbank bepaalde dat de minister binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen op de aanvraag.
Daarnaast werd een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van €7.500. De minister werd tevens veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50.
De uitspraak sluit aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het 8+8-wekenmodel, waarbij in gevallen van overschrijding van 21 maanden een kortere termijn dan acht weken kan worden opgelegd. De rechtbank achtte vier weken passend gezien de omstandigheden en het recente nader gehoor.
Deze uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming door het bestuursorgaan en de rechtsbescherming van asielzoekers tegen langdurige besluiteloosheid.