In deze zaak vorderen een letselschadebureau en diverse benadeelden dat Nationale Nederlanden (NN) hen weer als belangenbehartiger accepteert en het minnelijke schaderegelingstraject voortzet. De benadeelden zijn slachtoffers van een ongeval en worden bijgestaan door het letselschadebureau dat recentelijk is opgericht als opvolger van een eerder ontbonden bureau.
NN weigert de samenwerking vanwege eerdere misstanden bij het vorige bureau, het ontbreken van het Nationaal Keurmerk Letselschade (NKL) en het feit dat de schaderegelaars niet geregistreerd zijn bij het NIVRE. De rechtbank oordeelt dat hoewel het nieuwe bureau niet juridisch gelijkgesteld kan worden aan het oude, het feitelijk wel een voortzetting is en onvoldoende heeft aangetoond betrouwbaar en deskundig te zijn.
De voorzieningenrechter benadrukt het belang van de vrijheid van benadeelden om een belangenbehartiger te kiezen, maar stelt dat een verzekeraar goede redenen moet hebben om een belangenbehartiger te weigeren. Gezien het ontbreken van certificering en onvoldoende bewijs van betrouwbaarheid, is de weigering van NN gerechtvaardigd.
De vorderingen worden afgewezen en het letselschadebureau en de benadeelden worden veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak onderstreept het belang van certificering en transparantie in de letselschadebranche.