ECLI:NL:RBDHA:2025:26859
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugsvondst
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Zoetermeer om de woning van verzoeker voor drie maanden te sluiten vanwege een drugsvondst. Op 19 juli 2025 werd in de woning een verdachte aangehouden met een schoudertas gevuld met vermoedelijke cocaïne, contant geld, telefoons en sleutels. Bij doorzoeking werden ook drugs, weegschalen, lachgasflessen en verpakkingsmateriaal aangetroffen. Verzoeker werd eveneens aangehouden en gaf aan dat de drugs niet van hem waren, maar van logees die de woning gebruikten.
Verweerder stelde dat de hoeveelheid drugs en de aanwezigheid van lege lachgasflessen duiden op handel en strafbare voorbereidingshandelingen. Verzoeker betwistte de bevoegdheid tot sluiting, het noodzakelijkheidscriterium en de evenredigheid van de maatregel, onder meer omdat hij niet als verdachte wordt vervolgd en de woningcorporatie geen overlast meldde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder bevoegd was tot sluiting omdat de drugs met een handelshoeveelheid aanwezig waren en verzoeker verantwoordelijk is voor wat in zijn woning gebeurt. De sluiting was noodzakelijk om de openbare orde te beschermen, mede gezien de kwetsbare wijk en de rol van de woning in de drugshandel. De maatregel was evenwichtig omdat verzoeker de sleutel aan personen gaf die betrokken waren bij drugshandel en hij redelijkerwijs meer had kunnen doen om de situatie te voorkomen.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de sluiting van de woning voor drie maanden gehandhaafd blijft. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigt de sluiting van de woning voor drie maanden.