ECLI:NL:RBDHA:2025:26859

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25/7438
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugsvondst

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Zoetermeer om de woning van verzoeker voor drie maanden te sluiten vanwege een drugsvondst. Op 19 juli 2025 werd in de woning een verdachte aangehouden met een schoudertas gevuld met vermoedelijke cocaïne, contant geld, telefoons en sleutels. Bij doorzoeking werden ook drugs, weegschalen, lachgasflessen en verpakkingsmateriaal aangetroffen. Verzoeker werd eveneens aangehouden en gaf aan dat de drugs niet van hem waren, maar van logees die de woning gebruikten.

Verweerder stelde dat de hoeveelheid drugs en de aanwezigheid van lege lachgasflessen duiden op handel en strafbare voorbereidingshandelingen. Verzoeker betwistte de bevoegdheid tot sluiting, het noodzakelijkheidscriterium en de evenredigheid van de maatregel, onder meer omdat hij niet als verdachte wordt vervolgd en de woningcorporatie geen overlast meldde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder bevoegd was tot sluiting omdat de drugs met een handelshoeveelheid aanwezig waren en verzoeker verantwoordelijk is voor wat in zijn woning gebeurt. De sluiting was noodzakelijk om de openbare orde te beschermen, mede gezien de kwetsbare wijk en de rol van de woning in de drugshandel. De maatregel was evenwichtig omdat verzoeker de sleutel aan personen gaf die betrokken waren bij drugshandel en hij redelijkerwijs meer had kunnen doen om de situatie te voorkomen.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de sluiting van de woning voor drie maanden gehandhaafd blijft. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigt de sluiting van de woning voor drie maanden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7438

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Pearson),
en

de burgemeester van Zoetermeer, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Visser).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de sluiting van zijn woning aan de [adres] .
1.1.
Bij besluit van 15 oktober 2025 heeft verweerder besloten de woning van verzoeker te sluiten voor de duur van drie maanden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft laten weten de sluiting van de woning op te schorten tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde, [naam 1] (schuldhulpverlener van verzoeker) en de gemachtigde van verweerder vergezeld door [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 9 september 2025 heeft verweerder van een medewerker van de politie Eenheid Den Haag een bestuurlijke rapportage ontvangen. Hieruit volgt dat op 19 juli 2025 omstreeks 17:18 uur een strafbaar feit plaatsvond in de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Bij het betreden van de woning hebben politieambtenaren een verdachte aangehouden die niet op het adres van de woning stond ingeschreven. Deze verdachte was op het moment van de aanhouding in het bezit van een schoudertas die hij probeerde kwijt te raken. Nader onderzoek wees uit dat deze schoudertas was gevuld met drie verschillende plastic zakjes, die op hun beurt gevuld waren met in totaal 55 ponypacks met een bruto gewicht van 84,6 gram. De inhoud van deze ponypacks werd later indicatief getest waaruit bleek dat het waarschijnlijk om cocaïne ging. Verder werden in de schoudertas € 2.600,- aan contant geld, bestaande uit coupures van 50, 10 en 5 euro, drie mobiele telefoons en een sleutelbos aangetroffen. Nadat de rechter-commissaris hiervoor toestemming gaf, hebben de politieambtenaren de woning doorzocht. In de woonkamer van de woning werd een heuptasje met daarin een gripzakje gevuld met een grijs/bruin kristallen poeder met een bruto-gewicht van 1,2 gram aangetroffen, dat later eveneens indicatief is getest en cocaïne bevatte. Verder werden in de woonkamer drie weegschalen, twee lachgasflessen met onbekende inhoud, een emmer op een tafel met daarin een zak met meerdere lege en gevouwen ponypacks, een doos met een kleine grijze weegschaal en op een kast achter een plant een weegschaal aangetroffen. In één van de twee slaapkamers vonden de politieambtenaren drie lachgasflessen met onbekende inhoud en drie ponypacks met een bruto-gewicht van 3,1 gram, waarvan de inhoud later indicatief is getest en cocaïne bevatte. Tot slot werden in de kelderbox van de woning 75 lege lachgasflessen aangetroffen. De verdachte werd meegenomen naar het politiebureau voor verhoor, maar beriep zich daar op zijn zwijgrecht.
2.1.
Bij het betreden van de woning en de doorzoeking hiervan werd ook verzoeker aangetroffen en aangehouden. Toen hij door de politieambtenaren werd gefouilleerd, werden in zijn broekzak verpakkingsmaterialen aangetroffen die ambtshalve werden herkend als ponypacks. Uit nader onderzoek bleek dat dit dezelfde ponypacks betroffen als de ponypacks die werden aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning. Later werd verzoeker meegenomen naar het politiebureau, waar hij is verhoord. Tijdens dit verhoor heeft verzoeker verklaard dat de tijdens de doorzoeking in de woning aangetroffen goederen, zoals de weegschaaltjes en lege ponypacks, niet van hem zijn. Op de vraag van wie de goederen dan wél zijn, beriep verzoeker zich op zijn zwijgrecht. Verder verklaarde verzoeker dat twee Poolse personen in het bezit zijn van een sleutel van de woning en weleens langskomen. Zij hebben ook een sleutel van de berging. Zij maken dan gebruik van de woning en logeren er een dag. Verder zijn er ook Poolse personen die hun spullen in de woning hebben liggen. De lege lachgascilinders die in de kelderbox van de woning werden aangetroffen, zijn van mensen die bij hem gebruiken. Van de lege ponypacks weet hij niks af. Wel is hij bekend met de aanwezigheid van de weegschaaltjes en het materiaal waarmee wordt gemixt. Zelf gebruikt hij af en toe cocaïne, maar dit betreft dan slechts anderhalve gram per keer. Dat is ook de hoeveelheid die bij het fouilleren is aangetroffen in zijn zak.
2.2.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de bestuurlijke rapportage van 5 september 2025 voldoende aannemelijk maakt dat in de woning die gebruikt werd door verzoeker een hoeveelheid soft- en harddrugs aanwezig is die de gebruikershoeveelheid overschrijdt en die bestemd is voor de verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Gelet op de grote hoeveelheid aangetroffen lege lachgasflessen acht verweerder het ook aannemelijk dat in de woning en/of bijbehorende kelderbox sprake was van strafbare voorbereidingshandelingen met betrekking tot softdrugs. Om de rol van de woning en de bijbehorende kelderbox in de drugshandel ongedaan te maken, recidive en ook verdere nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden te voorkomen, heeft verweerder overeenkomstig het geldende beleid besloten de woning voor een periode van drie maanden te sluiten. [1]
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker betwist allereerst dat verweerder de bevoegdheid had om de woning te sluiten. Er was bij de controle namelijk geen handelshoeveelheid aan soft- en harddrugs in de woning aanwezig. De in de woning aangetroffen goederen behoren niet toe aan verzoeker, maar aan een logee aan wie hij zijn huissleutel had uitgeleend. De cocaïne die werd aangetroffen en die wél van hem was, was bestemd voor eigen gebruik. Verzoeker gebruikt deze drug op sporadische basis. Het is dan aan verweerder om feiten en omstandigheden aan te dragen die er in afwijking van de uitleg van verzoeker op wijzen dat de aangetroffen drugs bestemd moeten worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. [2] Daarin is verweerder niet geslaagd. Verder voldoet de woningsluiting niet aan het noodzakelijkheidscriterium. Behalve dat er geen overlastmeldingen van omwonenden bekend zijn, is er ook geen loop naar de woning geconstateerd. Dit beeld wordt versterkt door de zienswijze die woningcorporatie [woningcorporatie] (hierna: de woningcorporatie) heeft ingebracht, waarin zij aangeeft niet op de hoogte te zijn geweest van drugs-gerelateerde activiteiten in de woning. Van een verstoring van de openbare orde is dan ook geen sprake. Er doet zich evenmin een recidivesituatie voor. Verweerder had dan ook met een minder ingrijpende maatregel, zoals het opleggen van een waarschuwing, kunnen volstaan.
3.1.
Tot slot is de woningsluiting ook niet evenredig. Verzoeker had in het verleden een taxibedrijf dat failliet is gegaan. In de kwetsbare periode die daarop volgde heeft hij aan een aantal personen zijn sleutels uitgeleend om hen onderdak te bieden in de woning. Dit vertrouwen is vervolgens op ernstige wijze beschaamd. Zelf heeft hij echter niets met de in de woning gepleegde strafbare feiten te maken, wat ook blijkt uit het feit dat hij niet als verdachte is aangemerkt in het strafrechtelijk onderzoek. Momenteel leeft hij van een uitkering en maakt hij gebruik van de voedselbank. Hij krijgt sinds enkele maanden professionele begeleiding bij het op orde brengen van zijn financiën. Verder heeft hij geen sociaal vangnet. Als de woning wordt gesloten, dan komt hij op straat te staan. Bovendien zal de woningcorporatie in dat geval de huurovereenkomst ontbinden waardoor hij niet meer in de woning kan terugkeren. Dit heeft weer tot gevolg dat zijn uitkering zal worden stopgezet. Verweerder heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van voornoemde omstandigheden bij het nemen van het primaire besluit.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Het besluit betreft de sluiting van de woning van verzoeker. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, dan heeft verzoeker drie maanden geen toegang tot zijn woning. Het spoedeisend belang is hiermee gegeven.
Bevoegdheid
5. Op grond van artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning softdrugs of harddrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel als zij daartoe aanwezig zijn. Dit betekent dat de enkele aanwezigheid van drugs niet voldoende is om gebruik te mogen maken van de bevoegdheid. Gezien de woorden “daartoe aanwezig” moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt wordt daarbij aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs of meer dan 5 gram softdrugs de aangetroffen drugs in beginsel ook bestemd worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. In de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs (2023R003) van het Openbaar Ministerie wordt 1 ampul aangemerkt als een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik en volgens de nota van toelichting bij het besluit tot plaatsing van lachgas op lijst II van de Opiumwet is bij particulieren het bezit van meer dan 10 ampullen lachgas van 8 gram, dus in totaal 80 gram, een (sterke) aanwijzing dat het lachgas niet bestemd is voor eigen gebruik en daarmee kan worden aangemerkt als strafbaar handelen op basis van artikel 3 van Pro de Opiumwet. Het ligt in dat geval op de weg van verzoeker om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor de woning een last onder bestuursdwang op te leggen. [3]
5.1.
Dat in de woning een handelshoeveelheid van zowel harddrugs als softdrugs zijn aangetroffen, wordt door verzoeker niet betwist. Mede gelet op de inhoud van de in de woning aangetroffen schoudertas van verdachte (84,6 gram cocaïne) ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de aangetroffen drugs slechts voor eigen gebruik waren. Dat deze drugs volgens verzoeker toebehoorden aan een andere persoon aan wie hij zijn huissleutel had gegeven – wat daar verder ook van zij – doet voor wat betreft de bevoegdheid van verweerder tot het sluiten van de woning niet ter zake. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat verzoeker niet strafrechtelijk wordt vervolgd voor zijn rol bij het incident. [4] Daarbij geldt voorts dat verzoeker verantwoordelijk is voor wat er in de woning gebeurt, ook als hij zelf niet aanwezig is. Daarbij ziet de voorzieningenrechter net als verweerder in de aanwezigheid van de 75 lege lachgasflessen in de kelderbox in combinatie met de lachgasflessen in de woning een aanwijzing dat strafbare voorbereidingshandelingen met betrekking tot softdrugs in de woning plaatsvonden. Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan.
6. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder in dit geval ook van die bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. In dat verband moet aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is om het woon- en leefklimaat bij de woning te beschermen en het herstel van de openbare orde mogelijk te maken en in hoeverre deze sluiting ook evenredig is gelet op alle omstandigheden van het geval.
Is de sluiting noodzakelijk?
6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de sluiting van de woning voor drie maanden noodzakelijk mocht vinden. Vaststaat dat in de woning een ruime handelshoeveelheid aan softdrugs en harddrugs zijn aangetroffen. Hoewel uit de bestuurlijke rapportage niet kan worden opgemaakt dat er feitelijk gehandeld is in of vanuit de woning waardoor er doorgaans een mindere mate van of geen overlast zal zijn, is het gelet op de vondst van deze drugs in combinatie met de aangetroffen weegschalen, 75 lege lachgasflessen, verpakkingsmaterialen en een groot bedrag aan contant geld wel aannemelijk dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en als zodanig bekend is in het drugscircuit. Dit vermoeden wordt versterkt door het gegeven dat verzoeker de sleutel van de woning heeft afgegeven aan meerdere personen, waaronder aan de verdachte die blijkens de bestuurlijke rapportage meerdere drugs-gerelateerde antecenten op zijn naam heeft staan en ten aanzien van wie in april van het afgelopen jaar een anonieme melding is binnengekomen bij de politie dat hij betrokken is bij handel in harddrugs en lachgas. Zoals gezegd bevonden zich van deze laatstgenoemde drugs ten tijde van de controle 75 lege flessen in de kelderbox, wat een sterke indicatie geeft dat de woning fungeerde als opslagplaats voor deze drugs. Bovendien heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat de verdachte zich bezighield met drugshandel.
6.2.
Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat al deze feiten en omstandigheden een groot risico opleveren voor de openbare orde en de veiligheid van omwonenden, nu algemeen bekend is dat drugshandel sterk is verweven met het gebruik van geweld en andere vormen van (ernstige) criminaliteit. Hierbij heeft verweerder ook mogen meewegen dat de woning is gelegen in een kwetsbare wijk en dat onder de medebewoners van het seniorencomplex veel onrust is ontstaan naar aanleiding van wat de politie in de woning heeft aangetroffen. Gelet op dit alles is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet gehouden was om met een minder ingrijpend middel, zoals een last onder dwangsom of een waarschuwing, te volstaan.
Is de sluiting evenwichtig?
6.3.
De sluiting van de woning moet niet alleen noodzakelijk zijn, maar ook evenwichtig. Daarbij gaat het erom of de maatregel voldoende is afgestemd op de concrete situatie. In dit verband kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in dit geval het belang van de openbare orde en de belangen van omwonenden zwaarder mocht laten wegen dan de belangen van verzoeker. Verweerder heeft de duur van de sluiting op een evenwichtige manier afgestemd op de ernst van de verstoring van de openbare orde. Het kan verzoeker ernstig worden aangerekend dat hij de sleutel van de woning heeft afgegeven aan meerdere personen terwijl hij op de hoogte was van het feit dat in ieder geval één van deze personen zich bezighield met drugshandel. Daarbij is van belang dat ook in de woonkamer van de woning, waar verzoeker zich dagelijks begaf, weegschalen en verpakkingsmaterialen zijn aangetroffen. Als al zou worden aangenomen dat verzoeker in zijn geheel geen weet had van wat zich allemaal in de woning afspeelde, dan had dit toch de nodige vragen bij hem moeten oproepen. Al met al had hij redelijkerwijs meer kunnen en moeten doen om de situatie zoals die is ontstaan te voorkomen. Dit betekent dat hem de ontstane situatie te verwijten valt.
6.4.
Daarbij is het inherent aan een sluiting dat de bewoner zijn woning moet verlaten. In beginsel is het daarom verzoekers’ eigen verantwoordelijkheid om alternatieve woonruimte te zoeken. Mocht dit onverhoopt niet lukken, dan kan hij zich wenden tot het Daklozenloket. Niet is gebleken dat verzoeker daar al heeft geïnformeerd naar de mogelijkheden. Verder heeft de woningcorporatie aangegeven dat zij voornemens is de huurovereenkomst met verzoeker ontbinden, wat betekent dat hij na de sluiting mogelijk niet meer kan terugkeren naar zijn woning. Hoewel dat ingrijpend is, maakt ook die omstandigheid op zichzelf nog niet dat de sluiting onevenredig is. [5] Verweerder heeft in redelijkheid een groter gewicht mogen toekennen aan de ernst van de situatie en de rol die verzoeker zelf in dit alles heeft gespeeld, hoe prijzenswaardig het ook is dat hij naar eigen zeggen inmiddels een andere weg is ingeslagen.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dat betekent dat verweerder de woning van verzoeker mag sluiten voor de duur van drie maanden.
7.1.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P Lindhout, griffier. De beslissing is per e-mailbericht aan partijen meegedeeld op 13 november 2025 omstreeks 15:00 uur.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikelen 2, 3 en 13b van de Opiumwet in combinatie met het Damoclesbeleid van de gemeente Zoetermeer.
2.Verzoeker verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 oktober 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:8057.
3.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4612.
4.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3293.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1139.