ECLI:NL:RBDHA:2025:26816

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL25.30346
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMparagraaf B7/3.8.1 VcRichtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRMVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf voor jongvolwassenen in nareisprocedure

Eisers, broers en zus van een referent die in Nederland verblijft, hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat er geen gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestaat tussen eisers en hun moeder, ondanks hechte persoonlijke banden met de referent.

Eisers stelden dat zij onder het jongvolwassenenbeleid vallen en dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, waardoor de afwijzing onterecht is. De rechtbank oordeelde dat eiser 1 niet meer als jongvolwassene wordt beschouwd vanwege zijn leeftijd en zelfstandigheid, en dat eiser 2 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Ook werden geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en hun moeder vastgesteld.

De belangenafweging, waarbij het recht op gezinsleven werd afgewogen tegen het Nederlandse toelatingsbeleid, viel niet in het voordeel van eisers uit. De rechtbank vond dat verweerder alle relevante omstandigheden heeft meegewogen en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een positieve verplichting tot afgifte van een mvv opleggen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30346

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiseres

[eiser 1], V-nummer [v-nummer 2] , eiser 1
[eiser 2], V-nummer: [v-nummer 3] , eiser 2
Hierna tezamen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 juli 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, [referent] (referent), de gemachtigde van eisers en A. Polo als tolk. Verweerder is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eisers zijn de broers en zus van referent. Referent is geboren op [geboortedatum 1] 2006. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 1993, eiser 1 is geboren op [geboortedatum 2] 1997 en eiser 2 is geboren op [geboortedatum 2] 2000. Eisers en referent hebben de Syrische nationaliteit. Op 25 februari 2022 heeft referent voor eisers een aanvraag ingediend voor een mvv om zijn gezin te herenigen. Gelijktijdig heeft referent ook een aanvraag ingediend voor hun broer [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2003, en zijn moeder [naam 2] , geboren op [geboortedatum 4] 1964. De aanvragen van laatstgenoemden zijn door verweerder ingewilligd.
4. Verweerder heeft de aanvraag voor eisers afgewezen, omdat er geen familie- of gezinsleven is in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] tussen eisers en hun moeder. Verweerder neemt wel hechte persoonlijke banden aan tussen eisers en referent, maar de belangenafweging valt in het nadeel van eisers uit.
Wat vinden eisers in beroep?
5. Eisers stellen dat hun verzoek om een mvv ten onrechte is afgewezen. Eiser 1 en eiser 2 stellen dat zij onder het jongvolwassenenbeleid vallen. Het is niet zo dat eiser 2 zich zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven. Hij heeft niet gewerkt in Syrië en nauwelijks in Turkije. Hij heeft alleen kort gewerkt op een boerderij, waar hij is uitgevallen. Hij heeft ook nauwelijks in de kledingreparatie gewerkt en dat werk was ook zeer tijdelijk. Ook konden eiser 2 en zijn broer [naam 1] niet het gezin onderhouden met hun werk in het kledingbedrijf. De moeder van eisers zorgde voor inkomsten en ook referent stuurt hen geld toe. Er zijn geen andere contra-indicaties die maken dat eiser 2 niet onder het jongvolwassenenbeleid zou vallen. Ook stelt verweerder ten onrechte dat eiser 1 niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Eiser 1 en 2 vielen beiden in de leeftijdscategorie 18 tot (ongeveer) 25 jaar, zijn ongehuwd, hebben geen zelfstandig gezin gevormd en als er al niet altijd is samengewoond met de ouder(s) dan is dat het gevolg van een niet tegen te werpen omstandigheid, namelijk gedwongen vertrek uit Syrië. En er kan niet gezegd worden dat eiser 1 en 2 zich zelfstandig staande hebben gehouden. Daarnaast is er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder kent ten onrechte geen doorslaggevende betekenis toe aan de intensiteit van het gezinsleven, terwijl verweerder onderkent dat de familiebanden hecht zijn en eisers veel hebben meegemaakt. Het gezin wordt ten onrechte gescheiden, nu de moeder en broer [naam 1] wel in Nederland mogen blijven. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM valt daarnaast ten onrechte in het nadeel van eisers uit. Verweerder heeft in het kader van de belangenafweging onvoldoende gewicht toegekend aan de objectieve belemmering om het gezinsleven in het van land van herkomst uit te oefenen. Ook kunnen eisers niet veilig in Turkije verblijven. Verweerder heeft de positieve verplichting om het gezinsleven te eerbiedigen en daarbij vloeit, volgens eisers, uit de gezinsherenigingsrichtlijn voort dat er gunstigere voorwaarden dienen te worden gesteld als het gaat om gezinshereniging met toegelaten vluchtelingen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
Jongvolwassenenbeleid
7. Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM zonder dat verweerder daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist. Het jongvolwassenenbeleid in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc [2] bevat vier inhoudelijke cumulatieve vereisten: het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. Dit betekent dat, als het meerderjarig kind niet voldoet aan een of meer van deze vereisten, het niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser 1 niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat eiser 1 gezien zijn leeftijd niet meer wordt beschouwd als jongvolwassene, omdat hij op het moment van de aanvraag 25 jaar was en op het moment van beslissen 26 jaar. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser 1 stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Hij heeft in de periode 2017 tot 2021 zonder zijn moeder en de rest van het gezin in Turkije gewoond. Ten aanzien daarvan heeft verweerder erop mogen wijzen dat hoewel het vertrek naar Turkije noodgedwongen was, de gezinsband als verbroken kan worden gezien omdat hij zich zelfstandig heeft kunnen handhaven. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser 1 in staat was licht werk te verrichten, voor zichzelf te zorgen en taken in het huishouden uit te voeren. Ten aanzien van eisers verklaring dat hij na enkele dagen is gestopt met werken vanwege fysieke klachten, heeft verweerder mogen tegenwerpen dat dit niet betekent dat eiser helemaal niet zou kunnen werken. Verweerder heeft mogen concluderen dat het voor eiser 1 niet noodzakelijk is om met zijn moeder in gezinsband samen te wonen. Verweerder heeft er daarbij op kunnen wijzen dat eiser 1 juist voor zijn moeder zorgde door haar naar het ziekenhuis te begeleiden en dat hij dus niet afhankelijk van haar is voor zorg en opvoeding.
7.2.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat ook eiser 2 niet aan de cumulatieve voorwaarden voor het jongvolwassenenbeleid voldoet. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser 2 gezien zijn leeftijd en het feit dat hij nog geen eigen gezin heeft gevormd onder het jongvolwassenenbeleid zou kunnen vallen, maar dat eiser 2 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat uit de verklaringen van eisers blijkt dat eiser 2 in staat is om werk te verrichten. Hij heeft namelijk op een boerderij en in de kledingreparatie gewerkt. Verweerder heeft ook mogen meewegen dat eiser 2 perioden voldoende verdiende om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Het gezin leefde van de inkomsten van eiser 2 en [naam 1] . Daarbij heeft eiser 2 van 2016 tot 2020 niet in gezinsband met zijn moeder samengewoond. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat ondanks dat het vertrek van eiser 2 naar Turkije noodgedwongen was, hij zich zelfstandig en moeiteloos heeft weten te handhaven naar lokale maatstaven. In dat kader heeft verweerder mogen betrekken dat eiser 2 in staat is om te werken en dat hij heeft verklaard zorgtaken te hebben gehad voor zijn moeder, wat blijk geeft van het zetten van stappen naar zelfstandigheid.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
8. Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt verweerder op grond van paragraaf B7/3.8.1 van de Vc of dat kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven hebben op basis van het criterium van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Elementen zoals samenwoning, de financiële en materiële (praktische) afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de mate van emotionele afhankelijkheid en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. [3]
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en hun moeder. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
8.2.
Eiseres en eiser 1 hebben vanaf hun geboorte tot op heden met hun moeder samengewoond. Dat eisers en hun moeder graag samen willen wonen, betekent niet dat dit noodzakelijk is. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat het gebruikelijk is dat kinderen wonen en opgroeien bij hun ouder(s). Dat een kind na de volwassen leeftijd nog een tijd bij zijn of haar ouder(s) blijft wonen, is ook niet ongebruikelijk in de cultuur van eisers. Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser 2 in 2017 alleen naar Turkije is vertrokken en daar jarenlang zonder zijn moeder heeft gewoond.
8.3.
Met betrekking tot de financiële afhankelijkheid heeft verweerder mogen concluderen dat eisers niet financieel afhankelijk zijn van hun moeder. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat er verschillend is verklaard over de financiële situatie en over wie er wanneer de kostwinnaar was. De stelling dat referent soms geld naar zijn familie opstuurt, is niet onderbouwd. Daarbij heeft verweerder erop mogen wijzen dat dit ook niet wijst op financiële afhankelijkheid tussen eisers en hun moeder, omdat enige financiële steun gebruikelijk is onder familieleden. Verweerder heeft ook kunnen meewegen dat eventuele financiële ondersteuning vanuit Nederland kan worden voortgezet.
8.4.
Met betrekking tot de medische en praktische afhankelijkheid heeft verweerder erop mogen wijzen dat eisers en hun moeder niet afhankelijk zijn van elkaar. Volgens de verklaringen en een medisch document – dat niet is onderzocht door Bureau Documenten – hebben eiser 1 en de moeder van eisers beiden verschillende gezondheidsklachten. Niet is gebleken dat eiser 1 afhankelijk is van anderen voor zijn dagelijkse zorg. Ook heeft verweerder erop kunnen wijzen dat de moeder van eisers niet zodanige medische en praktische hulp nodig heeft die alleen door eisers verstrekt kan worden. Eiseres heeft verschillende zorgtaken voor haar moeder op zich genomen, maar verweerder heeft ten aanzien daarvan mogen tegenwerpen dat niet gebleken is dat dit strikt noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren van haar moeder.
8.5.
Ook heeft verweerder ten aanzien van eiseres mogen tegenwerpen dat niet aannemelijk is gemaakt dat zij zich als ongehuwde vrouw niet kan handhaven. Verweerder erkent dat de positie van (alleenstaande) vrouwen in Syrië of Turkije afwijkt van die in westerse landen, maar heeft mogen tegenwerpen dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat eiseres hierdoor meer dan gebruikelijk afhankelijk is van haar moeder.
8.6.
Ten aanzien van de banden met het land van herkomst heeft verweerder zich tot slot op het standpunt mogen stellen dat de banden van eisers met Syrië sterker zijn dan die met Nederland.
Belangenafweging
9. Uit vaste rechtspraak volgt dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [4] Daarbij moet hij alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken. Dit brengt met zich dat de toetsing door de bestuursrechter enigszins terughoudend moet zijn.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante individuele feiten en omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken en de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eisers heeft laten uitvallen. Verweerder heeft in het nadeel van eisers mogen wegen dat er tussen eisers en hun moeder geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt mogen stellen dat ondanks dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen referent en eisers, de aard en intensiteit van het familieleven niet zodanig sterk is dat het in hun voordeel moet meewegen. Ook heeft verweerder niet in het voordeel van eisers hoeven meewegen dat zij in Nederland wonen sinds begin 2025, omdat dit niet dusdanig lang is dat er sprake is van sterke binding met Nederland en hun band met Syrië en Turkije sterker is. Verweerder heeft ook niet de belangen van het kind (referent) in eisers voordeel hoeven wegen, omdat referent zijn gezinsleven met zijn moeder kan voorzetten in Nederland vanwege de inwilliging van haar aanvraag en omdat de band van referent met zijn moeder prevaleert boven de band van referent en eisers. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat er zodanig bijzondere omstandigheden zijn dat er een positieve verplichting bestaat om eisers een mvv te verstrekken. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat referent inmiddels geen minderjarig kind meer is. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat niet is gebleken dat eisers en referent zonder elkaars directe fysieke aanwezigheid geen invulling hebben kunnen geven aan het gezinsleven. Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die in het voordeel van eisers wegen. Over de omstandigheden met betrekking tot het niet gehuwd zijn van eiseres en het niet terug kunnen naar Syrië in verband met de oorlog en de dienstplicht, heeft verweerder kunnen stellen dat dit asielgerelateerde aspecten zijn die geen invloed hebben op de band tussen referent en eisers en daarom niet worden meegewogen in de belangenafweging. [5] Verweerder heeft daarentegen licht in het voordeel van eisers mogen meewegen dat zij geen familieleven kunnen uitoefenen in Syrië. Dit betekent echter niet dat verweerder de belangenafweging in eisers voordeel had moeten laten uitvallen. Verweerder heeft namelijk ook veel waarde mogen toekennen aan het economisch belang, aangezien er sprake is van een eerste toelating. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat toewijzing zou leiden tot een groot beroep op de staatskas, omdat referent en de moeder van eisers geen zelfstandig inkomen hebben waarmee zij in het levensonderhoud van hun gezinsleden kunnen voorzien. Daarnaast heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eisers aanspraak zullen doen op publieke voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en infrastructuur. Verweerder heeft ook veel waarde mogen hechten aan het restrictieve toelatingsbeleid, omdat eisers niet vallen onder de doelgroep van het nareisbeleid.
9.2.
Ter zitting hebben eisers nog aangevoerd dat niet valt in te zien waarom in hun geval de economische belangen zo zwaar in hun nadeel wegen, terwijl in het besluit voor hun broer [naam 1] de economische belangen minder zwaar wegen en de belangenafweging in zijn voordeel is uitgevallen. De rechtbank overweegt hierover dat het enkele feit dat de belangenafweging bij hun broer [naam 1] in zijn voordeel is uitgevallen, niet automatisch betekent dat de economische belangen in zijn geval minder zwaar wegen. Hoewel de beslissing op het bezwaar van [naam 1] zich in het dossier bevindt, geeft deze de rechtbank geen inzicht in de belangenafweging die verweerder in zijn geval heeft verricht. Voor zover eisers hiermee een beroep op het gelijkheidsbeginsel willen doen, slaagt dit niet omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het bestreden besluit in stand blijft.
11. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Zie de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 4 tot en met 5.4.
4.Onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2516.
5.Zie WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro.