ECLI:NL:RBDHA:2025:26811

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL25.23845 en NL25.23929
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Besluit 1/80Art. 8 EVRMArt. 3:4 AwbArt. 4:84 AwbArt. 7:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning regulier en intrekking eerdere vergunning wegens niet voldoen aan Besluit 1/80

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende werknemer, had een verblijfsvergunning als gezinslid bij zijn ex-partner, welke met terugwerkende kracht is ingetrokken wegens het niet meer voldoen aan de voorwaarden. Eiser stelde beroep in tegen deze intrekking en tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot wijziging van verblijfsdoel naar arbeid in loondienst op grond van Besluit 1/80.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet voldoet aan de vereiste van minimaal één jaar ononderbroken legale arbeid, omdat zijn verblijfsvergunning per 12 juni 2023 is ingetrokken en hij sindsdien geen legale arbeid kon verrichten. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro en het evenredigheidsbeginsel is door verweerder zorgvuldig gemaakt, waarbij ook eerdere procedures en persoonlijke omstandigheden van eiser zijn betrokken.

Verder is geoordeeld dat verweerder terecht heeft afgezien van een hoorzitting in bezwaar, omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben. Ook is geen sprake van een risico op refoulement. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de zaak niet langer connex is.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.23845 en NL25.23929
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juni 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door een vriend en door zijn schoonzus, en de gemachtigde van eiser. Verweerder is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1973 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser had een verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf als familie of gezinslid bij mevrouw [naam]’, zijn ex-partner. Verweerder heeft deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken per 12 juni 2023, omdat toen niet meer werd voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Verweerder heeft het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen de intrekking en eiser heeft verzocht om een voorlopige voorziening ter voorkoming van uitzetting. Op 7 mei 2025 heeft deze rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaard en eisers verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. [1] Eiser heeft hoger beroep aangetekend tegen deze uitspraak.
3.1.
Op 15 mei 2024 heeft eiser een aanvraag wijziging beperking naar ‘Arbeid in loondienst’ op grond van Besluit 1/80 ingediend. Met het primaire besluit heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen, omdat eiser niet één jaar ononderbroken legale arbeid heeft verricht op grond van een onomstreden verblijfsrecht. [2] Verweerder heeft eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing en het terugkeerbesluit gebleven.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt zich ten eerste op het standpunt dat zijn eerdere verblijfsvergunning op grond van de beperking ‘verblijf bij mevrouw [naam]’ ten onrechte met terugwerkende kracht is ingetrokken. De intrekking van deze verblijfsvergunning staat niet in rechte vast, omdat de ongegrondverklaring van zijn beroep door de rechtbank niet onherroepelijk is. Eiser heeft namelijk daartegen hoger beroep ingesteld. Ten tweede stelt eiser dat hij als Turkse werknemer rechten ontleent aan Besluit 1/80 [3] , omdat hij per 1 april 2023 in dienst is getreden bij ‘[bedrijfsnaam 1]’ en per 1 april 2024 heeft hij langer dan een jaar legale arbeid verricht in de zin van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80. Ten derde had verweerder moeten betrekken dat eiser eerder aan het ‘driejarenbeleid’ [4] voldeed. Daarnaast stelt eiser dat verweerder de bijzondere omstandigheden had moeten meewegen en dat verweerders motivering hierover ontbreekt. Verweerder stelt slechts dat eisers situatie in eerdere procedures in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [5] is gewogen, terwijl eiser in bezwaar geen hoorzitting is aangeboden en geen nadere informatie is gevraagd. Verweerder heeft daarnaast ook het privéleven van eiser onvoldoende meegewogen. Omdat verweerder geen blijk geeft in te zien dat de nadelige gevolgen van het besluit aanzienlijk zijn voor eiser, acht hij dit in strijd met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van Pro de Awb [6] . Ook had verweerder van zijn afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb gebruik moeten maken. Verder is het bestreden besluit onzorgvuldig gemotiveerd in de zin van van artikel 7:11 en Pro 7:12 van de Awb. Voorts is eiser ten onrechte niet gehoord. Verweerder heeft ten onrechte geen refoulement-beoordeling gemaakt. Ten slotte heeft verweerder ook ten onrechte niet overwogen eiser een vertrektermijn met onbeperkte duur op te leggen, aangezien het aannemelijk is dat eiser rechtmatig verblijf heeft.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is, eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen rechten ontleent aan het Besluit 1/80?
6. Uit artikel 6 van Pro het Associatiebesluit 1/80 volgt onder meer dat de Turkse
werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort, na één jaar legale arbeid
in die lidstaat recht heeft op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever
als die werkgelegenheid heeft. Legale arbeid houdt volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) in dat de Turkse werknemer arbeid heeft verricht op basis van een onbetwist verblijfsrecht. [7]
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 6 van Pro het Besluit 1/80. Eiser heeft namelijk niet minimaal één jaar lang legale arbeid verricht. Eiser is per 1 april 2023 in dienst getreden bij [bedrijfsnaam 1]. Verweerder heeft per 12 juni 2023 de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken, vanwege het verbreken van de relatie met zijn verblijfgeefster. Vanwege het ontbreken van een verblijfsvergunning en het feit dat eiser ook niet over een tewerkstellingsvergunning beschikte, kon eiser geen legale arbeid meer verrichten. Het feit dat eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning, betekent niet dat verweerder niet de nu voorliggende aanvraag mag afwijzen. Verweerder gaat immers terecht uit van de situatie zoals die zich nu voordoet en de laatste stand van zaken is dat de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de verblijfsvergunning mocht intrekken. [8] Daarbij treft de stelling van eiser, dat hij feitelijk een jaar heeft gewerkt, geen doel. Eiser wist of behoorde namelijk te weten dat hij geen recht meer had op een verblijfsvergunning vanwege het verbreken van de relatie met zijn verblijfgeefster en het feit dat hij ook niet meer op hetzelfde adres stond ingeschreven. Eiser wist of had dus ook moeten weten dat hij geen legale arbeid (meer) verrichtte.
6.2.
Daarnaast heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser ook niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van artikel 7 van Pro het Besluit 1/80, alleen al omdat hij zijn stelling dat hij drie jaar legale arbeid zou hebben verricht in Nederland niet heeft onderbouwd.
Belangenafweging artikel 8 EVRM Pro [9] , evenredigheidsbeginsel en artikel 4:84 van Pro de Awb
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser is uitgevallen. Verweerder wijst er terecht op dat de door eiser aangevoerde belangen al in de intrekkingsprocedure betrokken zijn. Daarbij heeft verweerder geconcludeerd dat eiser geen beschermingswaardig privéleven heeft met zijn broers. In de eerder aangehaalde uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 mei 2025 is dit bevestigd. Daarin is ook geoordeeld dat verweerder alle relevante belangen heeft betrokken, een ‘fair balance’ heeft gemaakt tussen eisers belang en het belang van de Staat en dat deze belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser is uitgevallen. Dat eiser directeur is van een groothandel ([bedrijfsnaam 2] B.V.) heeft de rechtbank ook in haar uitspraak betrokken. Dat eiser nu een partner zou hebben heeft hij eerst in beroep aangevoerd, zodat verweerder dit niet in het bestreden besluit heeft kunnen betrekken. De rechtbank stelt vast dat eiser deze stelling ook niet heeft onderbouwd en ziet daarin dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel.
7.1.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat het bestreden besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij heeft verweerder mogen concluderen dat hij ook geen gebruik heeft hoeven maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van Pro de Awb.
Hoorplicht
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [10] Verweerder heeft op grond van het primaire besluit en wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. De enkele mogelijkheid dat er nog iets naar voren kan worden gebracht tijdens een hoorzitting is op zichzelf onvoldoende aanleiding om eiser te horen. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.
Vertrektermijn
9. Ten aanzien van het terugkeerbesluit is de rechtbank van oordeel dat het aan eiser is om omstandigheden aan te voeren en te onderbouwen waarom op grond van artikel 62, derde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) zou moeten worden afgeweken van de vertrektermijn van vier weken. De enkele stelling dat eiser een sociaal leven en familieleven heeft opgebouwd tijdens zijn verblijf in Nederland en dat het bestreden besluit inbreuk maakt op zijn persoonlijke integriteit en levenssfeer is daartoe onvoldoende.
Non-refoulement
10. Uit wat eiser op zitting naar voren heeft gebracht over de problemen met zijn ex-partner, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er sprake is van een risico op refoulement. Ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden waaruit dat risico dan zou bestaan. [11]

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
12. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [12] .
13. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.NL24.42021 en NL24.41970 (niet gepubliceerd).
2.Zoals vereist onder artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG en Turkije (Besluit 1/80).
3.Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG en Turkije.
4.Artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG en Turkije.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Algemene wet bestuursrecht.
7.Zie onder meer de uitspraak van 3 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:436 (BY) en de uitspraak van 6 juni 1995, ECLI:EU:C:1995:168 (Bozkurt).
8.Zie noot 1.
9.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
10.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
11.Zie de uitspraak van het Hof van de Europese Unie van 17 oktober 2024, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892 (Ararat).
12.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.