ECLI:NL:RBDHA:2025:26738

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/677701 / HA RK 24-671
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling van staatloosheid op basis van onvoldoende bewijs en niet-naleving van wettelijke vereisten

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 een beschikking gegeven in het kader van een verzoek tot vaststelling van staatloosheid. Verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat mr. W.G. Fischer, heeft op 18 december 2024 een verzoekschrift ingediend. De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door mr. A. Houben, heeft geadviseerd het verzoek af te wijzen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker in Nederland woont en dat hij onmiddellijk belang heeft bij het verzoek. Echter, verzoeker heeft onvoldoende bewijs geleverd om zijn staatloosheid aan te tonen. De rechtbank heeft de relevante wetgeving, met name artikel 2 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, en de bewijslastverdeling in deze procedure besproken. Verzoeker heeft slechts een beperkt aantal documenten overgelegd, waaronder een uittreksel uit de Basisregistratie Personen en een verklaring van de ambassade van Burundi, maar deze waren niet voldoende om zijn verzoek te onderbouwen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat verzoeker niet aan de vereisten heeft voldaan zoals gesteld in artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, en heeft het verzoek afgewezen. De beschikking is uitgesproken in een openbare zitting en is ondertekend door de rechters en de griffier.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 24-671
Zaaknummer: C/09/677701
Datum beschikking: 19 december 2025

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 18 december 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.G. Fischer te Assen.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te Den Haag,
vertegenwoordigd door: mr. A. Houben.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van 23 januari 2025, met bijlagen, van de Staat;
- de brief van 19 februari 2025 van de zijde van verzoeker;
- de brief van 5 maart 2025 van de Staat.
Op 11 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, en [naam] namens de Staat.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker.
De Staat adviseert het verzoek af te wijzen.

Beoordeling

Juridisch kader en ontvankelijkheid
Verzoeker verzoekt om zijn staatloosheid vast te stellen. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid – Wvs).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was.
De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Verzoeker stelt dat hij op [geboortedatum] 1981 in [geboorteland] is geboren. Verzoeker is in 2005 in Nederland aangekomen en het verblijfsrecht van verzoeker is op 22 januari 2018 erkend. In Nederland is in de Basisregistratie personen (Brp) van verzoeker zijn nationaliteit als onbekend genoteerd, omdat er twijfel bestond over de vraag of verzoeker de nationaliteit van Burundi had. Verzoeker heeft via de ambassade van Burundi gevraagd om zijn nationaliteit te erkennen. De ambassade heeft geantwoord dat verzoeker niet de nationaliteit van Burundi heeft. Hiermee staat volgens verzoeker vast dat verzoeker niet door enige staat krachtens diens wetgeving als onderdaan wordt beschouwd en dus kan de staatloosheid worden vastgesteld.
De Staat voert verweer en adviseert om het verzoek af te wijzen. Verzoeker heeft in zijn verzoek nagenoeg niets aangegeven en heeft slecht twee stukken ter onderbouwing overgelegd, waaruit verder niets blijkt. De Staat heeft wel alles in het werk gesteld om stukken te overleggen, maar ook daar heeft verzoeker niet inhoudelijk op gereageerd.
De rechtbank ziet aanleiding om eerst in te gaan op de vraag welke vormen van bewijs een rol kunnen spelen bij de beoordeling van staatloosheid.
Daarbij stelt de rechtbank voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een verzoekschrift dient te zijn voorzien van een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust.
Voorts stelt de rechtbank vast dat in de Memorie van Toelichting (MvT) op de Wvs [1] is opgenomen:
“[…]
Bewijslastverdeling (onderdeel g)
Omdat het vaak moeilijk is voor een gesteld staatloze om te bewijzen dat hij geen nationaliteit heeft, speelt de vraag hoe moet worden omgegaan met de gebruikelijke regels van Rv over bewijs in de verzoekschriftprocedure (zie artikel 284 Rv: het bewijsrecht uit de negende afdeling van de tweede titel van de Rv is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet). De algemene regels daarin zijn onder meer dat degene die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept de feiten moet stellen en zo nodig bewijzen, tenzij uit een bijzondere regel of de billijkheid iets anders voortvloeit. In de expertmeetings van de ACVZ is uitgebreid gediscussieerd over deze bewijslastverdeling, in die zin dat op de Staat een grotere last komt te liggen via een bijzondere wettelijke bepaling. Men bereikte hierover geen specifieke overeenstemming. In het discussiedocument is opgenomen dat het ten algemene goed zou zijn dat de meest gerede partij bewijs levert. Dit zou volgens de expertgroep betekenen dat de gesteld staatloze verplicht is naar waarheid te verklaren en alle informatie te leveren waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en dat bij voldoende aannemelijkheid van zijn staatloosheid de Staat aanvullend onderzoek moet doen.
Gelet op de praktijk (ook nu al bij de vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 RWN) is het niet nodig om iets te regelen voor de door de expertgroep voorgestelde bewijslastverdeling in afwijking van of in aanvulling op Rv. De rechter kan met de algemene regels van Rv voldoende uit de voeten en zal hiermee ook uitkomen op de «meest gerede partij» die geacht wordt met informatie te komen. Het oordeel wie wat bewijst en de uiteindelijke vaststelling van de feiten is aan de rechter voorbehouden. De gesteld staatloze en de IND bepalen met welke documenten en/of verklaringen zij in de procedure komen. Voor de rechter zullen de bewijsmiddelen en hoe deze te waarderen van groot belang zijn. Het Handboek van de UNHCR kan hierbij tot leidraad zijn. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 6.2 van de toelichting onder Bewijslastverdeling. […]”
In paragraaf 6.2 is onder het kopje “Bewijslastverdeling” het volgende opgenomen [2] :
“[…] Gezien dit specifieke karakter van de procedure is het van belang dat de rechtbank actief aanstuurt op de rolverdeling die in de vaststellingsprocedure gewenst is. UNHCR en de gezamenlijke reactie verwoorden deze rolverdeling juist als zij aandringen op een samenspel waarbij de verzoeker alle informatie dient te verschaffen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, inclusief eventueel bewijsmateriaal en waarin de IND bewijs dat redelijkerwijs beschikbaar is verwerft en naar voren brengt in de procedure. Het gaat met andere woorden om een gedeelde last die rust op zowel de verzoeker als de IND, die in deze procedure wordt gehoord.
Met betrekking tot de eisen die worden gesteld aan het verzoekschrift (278 Rv) en de verdere informatieplicht van een gesteld staatloze in de procedure, uitten UNHCR, ISI, ENS en de gezamenlijke reactie zorgen in hun adviezen omdat staatlozen vaak niet in het bezit zijn van documenten die hun staatloosheid aantonen, hetgeen de bewijslast bemoeilijkt. Men roept de regering op rekening te houden met de barrières die inherent zijn aan het aantonen van staatloosheid. De adviesinstanties raden aan om duidelijk te maken dat de aanvrager weliswaar verplicht moet zijn om alle informatie te overleggen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, maar dat het aan de Staat is om aanvullend onderzoek te verrichten, wanneer – de moeite van het individu ten spijt – niet is komen vast te staan of betrokkene een nationaliteit heeft.
De samenwerking die deze instanties voorstaan is wat met het wetsvoorstel wordt beoogd. De vaststellingsrechter zal hier in de verzoekschriftprocedure op aansturen (zie hiervoor). Hij doet aan waarheidsvinding waarbij de verzoeker stelt en onderbouwt, de IND deze informatie verifieert, onderzoek doet en zo nodig aanvult en weerlegt en de rechter eventueel doorvraagt en het bewijs waardeert en beslist. Het is daarbij heel wel mogelijk dat een gesteld staatloze zijn verzoekschriftprocedure start met enkel een schriftelijke verklaring waarin hij aangeeft dat hij staatloos is en waarom. Zoals ook opgenomen in het UNHCR Handboek zal de rechter het bewijs wat in de procedure naar voren wordt gebracht door zowel de verzoeker als de IND wegen. Daar waar authentiek schriftelijk bewijs kan worden overlegd, zal dit zwaarder wegen dan de verklaring van de verzoeker. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal de rechter meer gewicht toekennen aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien betrokkene reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen het verloop en de uitkomst van deze procedure eventueel – anders dan door ISI aangenomen – wel degelijk iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Voor de IND is het van belang dat er in de procedure – wil men zijn rol in de procedure naar behoren kunnen vervullen – aanknopingspunten zijn op basis waarvan bijvoorbeeld bepaalde landen kunnen worden benaderd of ander onderzoek naar de gestelde staatloosheid kan worden gedaan. […]”
De rechtbank leidt uit de MvT af dat alle vormen van bewijs een rol kunnen spelen bij de beoordeling van staatloosheid. De rechtbank dient te beoordelen of de verzoeker alle informatie heeft verstrekt waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en al het bewijs heeft overgelegd dat hij mogelijkerwijs kan overleggen. De rechtbank dient die informatie samen met de door de Staat verstrekte informatie te wegen. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal meer gewicht worden toegekend aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien de verzoeker reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen ook het verloop en de uitkomst van deze procedure iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker.
Gelet op het voornoemde dient de verzoeker in een procedure tot vaststelling van staatloosheid naar het oordeel van de rechtbank zoveel mogelijk informatie te verstrekken en stukken in het geding te brengen waaruit zijn identiteit en mogelijke nationaliteit blijkt. Van de verzoeker mag worden verwacht dat hij ten minste een relaas geeft van zijn levensloop en de landen waarin hij heeft verbleven.
In het verzoekschrift staat enkel dat verzoeker in [geboorteland] is geboren en in 2005 in Nederland is aangekomen. Verzoeker heeft zijn verzoek om vaststelling van staatloosheid verder niet of nauwelijks (met stukken) onderbouwd. Verzoeker heeft geen relaas gegeven van zijn levensloop en de landen waarin hij heeft verbleven. Ook heeft verzoeker geen stukken uit de asielprocedure die hij in Nederland heeft gevolgd, overgelegd. Verzoeker heeft alleen een uittreksel uit de Brp van 5 april 2022 en een verklaring van de ambassade van Burundi in Den Haag van 31 oktober 2024 overgelegd. In deze verklaring staat – voor zover relevant – dat de ambassade een brief van verzoeker heeft ontvangen waarin verzoeker vraagt om vast te stellen dat hij de Burundese nationaliteit heeft, en vervolgens dat verzoeker dat niet heeft kunnen bewijzen. Verzoeker heeft daarbij niet onderbouwd op basis van welke onderliggende stukken of verstrekte informatie de verklaring van de ambassade tot stand is gekomen. De Staat heeft wel stukken betreffende verzoeker overgelegd, maar daarmee is nog steeds geen compleet beeld ontstaan van (de levensloop van) verzoeker.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoekschrift daarmee niet een duidelijke omschrijving vermeldt van de gronden waarop het verzoek berust, zoals vereist volgens de wet en dat verzoeker niet alle informatie heeft verstrekt waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en al het bewijs heeft overgelegd dat hij mogelijkerwijs kan overleggen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Emmens, A.M. Brakel en C.L. Strop, rechters, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 19 december 2025.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina’s 11 en 12
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina’s 41 en 42