ECLI:NL:RBDHA:2025:26734

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/685016 / HA RK 25-232
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker van Palestijnse afkomst

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 een beschikking gegeven over de staatloosheid van een verzoeker van Palestijnse afkomst. Het verzoekschrift, ingediend op 13 mei 2025, strekt tot vaststelling van de staatloosheid van de verzoeker, die in Nederland asiel heeft aangevraagd. De verzoeker heeft op 10 oktober 2021 een asielaanvraag ingediend en kreeg op 11 juli 2023 een asielvergunning verleend, geldig tot 10 oktober 2026. De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door mr. S.J. Versteeg, heeft het verzoek afgewezen, omdat de verzoeker geen identiteitsdocument heeft overgelegd. De rechtbank heeft de documenten en verklaringen van de verzoeker beoordeeld, waaronder een UNRWA-kaart en een familie-uittreksel, en vastgesteld dat de verzoeker geen nationaliteit kan aantonen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de verzoeker staatloos is, omdat hij niet als onderdaan van de Palestijnse Gebieden of Syrië kan worden beschouwd. De rechtbank heeft daarbij de relevante wetgeving en de bewijslastverdeling in de procedure in overweging genomen, en vastgesteld dat het ontbreken van een identiteitsdocument niet in de weg staat aan de vaststelling van staatloosheid. De beschikking is uitgesproken ter openbare zitting op 19 december 2025.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-232
Zaaknummer: C/09/685016
Datum beschikking: 19 december 2025

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 13 mei 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker],

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.J. Koolen te Utrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te Den Haag,
vertegenwoordigd door: mr. S.J. Versteeg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van 8 juli 2025 van de Staat;
- de brief van 30 juli 2025 van de zijde van verzoeker;
- de brief van 7 augustus 2025 van de Staat.
Op 11 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, door een tolk, A. Fawzy, en door zijn (voormalig) voogd, [naam], en namens de Staat mr. J. Laros.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het e-mailbericht van 12 november 2025, met bijlagen, van de Staat;
- het e-mailbericht van 12 november 2025, met bijlage, van de zijde van verzoeker.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker.
De Staat adviseert het verzoek af te wijzen.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoeker heeft op 10 oktober 2021 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
- Bij besluit van 11 juli 2023 is aan verzoeker een asielvergunning verleend. Deze vergunning is geldig van 10 oktober 2021 tot 10 oktober 2026.

Beoordeling

Juridisch kader en ontvankelijkheid
Verzoeker verzoekt om zijn staatloosheid vast te stellen. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid – Wvs).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was.
De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
De Staat adviseert om het verzoek af te wijzen omdat verzoeker geen document heeft overgelegd dat zijn identiteit kan aantonen. De Staat wijst daartoe op zijn werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen. Uit deze werkinstructie volgt dat de Staat voor de registratie van staatloosheid van Palestijnen vereist dat uit drie documentgroepen minimaal één document wordt getoond. Verzoeker heeft alleen documenten uit documentgroepen twee en drie overgelegd. Verzoeker heeft geen document uit de documentgroep één (een identiteitsdocument) overgelegd en daarmee dus geen document dat zijn identiteit aantoont. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld dat de persoon van verzoeker dezelfde is als de persoon op de door hem overgelegde documenten uit documentgroepen twee en drie. Daarmee is volgens de Staat ten aanzien van verzoeker geen staatloosheid vast te stellen.
De rechtbank ziet in het standpunt van de Staat aanleiding om eerst in te gaan op de vraag of het noodzakelijk is dat een document in de zin van de genoemde werkinstructie wordt overgelegd om de staatloosheid van verzoeker te kunnen vaststellen.
In de werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen wordt, om de registratie van staatloosheid in Nederland in hoge mate betrouwbaar te maken, gebruik gemaakt van drie documentgroepen:
1. een identiteitsdocument (reisdocument of identiteitskaart);
2. een geboorteakte of een gelijkwaardig document (voor het vaststellen van de afstamming);
3. een aanvullend bewijsstuk waaruit de status van staatloze Palestijn blijkt (zoals de UNRWA registratie).
Bij Palestijnen uit een aantal specifieke landen, waaronder Syrië en de Palestijnse gebieden, wordt door de IND staatloosheid aangenomen als de vreemdeling uit elk van de drie documentgroepen minimaal één document kan tonen.
In de werkinstructie WI 2023/10 Beoordelen evidente staatlozen wordt hiernaar verwezen. De rechtbank leidt hieruit af dat iemand uitsluitend als
evidentstaatloos wordt aangemerkt indien hij of zij uit elk van de drie documentgroepen minimaal één document overlegt. In bestuursrechtelijke procedures over de registratie in de Basisregistratie personen is overwogen dat deze werkwijze niet onredelijk voorkomt.
Verzoeken op grond van artikel 2 lid 1 van de Wvs hebben echter een ander toetsingskader dan het toetsingskader bij de vaststelling van
evidentestaatsloosheid. De rechtbank is van oordeel dat in deze procedure staatloosheid niet slechts kan worden vastgesteld als uit de drie documentgroepen minimaal één document is overgelegd en evenmin de eis mag worden gesteld dat in ieder geval een identiteitsdocument wordt overgelegd. De rechtbank legt dat als volgt uit.
In de Memorie van Toelichting (MvT) op de Wvs [1] is opgenomen:
“[…]
Bewijslastverdeling (onderdeel g)
Omdat het vaak moeilijk is voor een gesteld staatloze om te bewijzen dat hij geen nationaliteit heeft, speelt de vraag hoe moet worden omgegaan met de gebruikelijke regels van Rv over bewijs in de verzoekschriftprocedure (zie artikel 284 Rv: het bewijsrecht uit de negende afdeling van de tweede titel van de Rv is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet). De algemene regels daarin zijn onder meer dat degene die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept de feiten moet stellen en zo nodig bewijzen, tenzij uit een bijzondere regel of de billijkheid iets anders voortvloeit. In de expertmeetings van de ACVZ is uitgebreid gediscussieerd over deze bewijslastverdeling, in die zin dat op de Staat een grotere last komt te liggen via een bijzondere wettelijke bepaling. Men bereikte hierover geen specifieke overeenstemming. In het discussiedocument is opgenomen dat het ten algemene goed zou zijn dat de meest gerede partij bewijs levert. Dit zou volgens de expertgroep betekenen dat de gesteld staatloze verplicht is naar waarheid te verklaren en alle informatie te leveren waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en dat bij voldoende aannemelijkheid van zijn staatloosheid de Staat aanvullend onderzoek moet doen.
Gelet op de praktijk (ook nu al bij de vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 RWN) is het niet nodig om iets te regelen voor de door de expertgroep voorgestelde bewijslastverdeling in afwijking van of in aanvulling op Rv. De rechter kan met de algemene regels van Rv voldoende uit de voeten en zal hiermee ook uitkomen op de «meest gerede partij» die geacht wordt met informatie te komen. Het oordeel wie wat bewijst en de uiteindelijke vaststelling van de feiten is aan de rechter voorbehouden. De gesteld staatloze en de IND bepalen met welke documenten en/of verklaringen zij in de procedure komen. Voor de rechter zullen de bewijsmiddelen en hoe deze te waarderen van groot belang zijn. Het Handboek van de UNHCR kan hierbij tot leidraad zijn. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 6.2 van de toelichting onder Bewijslastverdeling. […]”
In paragraaf 6.2 is onder het kopje “Bewijslastverdeling” het volgende opgenomen [2] :
“[…] Gezien dit specifieke karakter van de procedure is het van belang dat de rechtbank actief aanstuurt op de rolverdeling die in de vaststellingsprocedure gewenst is. UNHCR en de gezamenlijke reactie verwoorden deze rolverdeling juist als zij aandringen op een samenspel waarbij de verzoeker alle informatie dient te verschaffen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, inclusief eventueel bewijsmateriaal en waarin de IND bewijs dat redelijkerwijs beschikbaar is verwerft en naar voren brengt in de procedure. Het gaat met andere woorden om een gedeelde last die rust op zowel de verzoeker als de IND, die in deze procedure wordt gehoord.
Met betrekking tot de eisen die worden gesteld aan het verzoekschrift (278 Rv) en de verdere informatieplicht van een gesteld staatloze in de procedure, uitten UNHCR, ISI, ENS en de gezamenlijke reactie zorgen in hun adviezen omdat staatlozen vaak niet in het bezit zijn van documenten die hun staatloosheid aantonen, hetgeen de bewijslast bemoeilijkt. Men roept de regering op rekening te houden met de barrières die inherent zijn aan het aantonen van staatloosheid. De adviesinstanties raden aan om duidelijk te maken dat de aanvrager weliswaar verplicht moet zijn om alle informatie te overleggen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, maar dat het aan de Staat is om aanvullend onderzoek te verrichten, wanneer – de moeite van het individu ten spijt – niet is komen vast te staan of betrokkene een nationaliteit heeft.
De samenwerking die deze instanties voorstaan is wat met het wetsvoorstel wordt beoogd. De vaststellingsrechter zal hier in de verzoekschriftprocedure op aansturen (zie hiervoor). Hij doet aan waarheidsvinding waarbij de verzoeker stelt en onderbouwt, de IND deze informatie verifieert, onderzoek doet en zo nodig aanvult en weerlegt en de rechter eventueel doorvraagt en het bewijs waardeert en beslist. Het is daarbij heel wel mogelijk dat een gesteld staatloze zijn verzoekschriftprocedure start met enkel een schriftelijke verklaring waarin hij aangeeft dat hij staatloos is en waarom. Zoals ook opgenomen in het UNHCR Handboek zal de rechter het bewijs wat in de procedure naar voren wordt gebracht door zowel de verzoeker als de IND wegen. Daar waar authentiek schriftelijk bewijs kan worden overlegd, zal dit zwaarder wegen dan de verklaring van de verzoeker. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal de rechter meer gewicht toekennen aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien betrokkene reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen het verloop en de uitkomst van deze procedure eventueel – anders dan door ISI aangenomen – wel degelijk iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Voor de IND is het van belang dat er in de procedure – wil men zijn rol in de procedure naar behoren kunnen vervullen – aanknopingspunten zijn op basis waarvan bijvoorbeeld bepaalde landen kunnen worden benaderd of ander onderzoek naar de gestelde staatloosheid kan worden gedaan. […]”
De rechtbank leidt hieruit af dat alle vormen van bewijs een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de staatloosheid. Van de verzoeker in een procedure tot vaststelling van staatloosheid wordt verwacht dat hij ten minste een relaas geeft van zijn levensloop en de landen waarin hij heeft verbleven. De rechtbank dient te beoordelen of de verzoeker alle informatie heeft verstrekt waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en alles heeft overgelegd wat hij mogelijkerwijs kan overleggen. De rechtbank dient die informatie samen met de door de Staat verstrekte informatie te wegen. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal meer gewicht worden toegekend aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien de verzoeker reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen ook het verloop en de uitkomst van deze procedure iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het enkel ontbreken van een identiteitsdocument niet in de weg staat aan vaststelling van staatloosheid.
Beoordeling van de overgelegde stukken
Gelet op het voornoemde dient verzoeker zoveel mogelijk stukken in het geding te brengen waaruit zijn identiteit en nationaliteit blijkt. De rechtbank zal in het concrete geval al het voorhanden zijnde bewijs in onderlinge samenhang beoordelen, waaronder ook de stukken uit de asielprocedure.
Verzoeker stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2007 in Syrië uit een Palestijnse vader en een Syrische moeder. Hij is in 2019/2020 gevlucht uit Syrië en in 2021 aangekomen in Nederland en heeft in Nederland gevraagd om internationale bescherming. Verzoeker was pas twaalf/dertien jaar oud toen hij vluchtte en had toen nog geen identiteitskaart en paspoort aangevraagd. Dit was pas verplicht in het jaar na de veertiende verjaardag, aldus verzoeker. Verzoeker is daarom niet in het bezit van een identiteitskaart of paspoort en het overleggen van een identiteitsbewijs kan niet van verzoeker worden verwacht, mede ook gelet op de situatie in Syrië. Voorts is er ook geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de identiteit van verzoeker.
Verder heeft verzoeker naar voren gebracht dat houders van een verblijfsvergunning asiel categoriaal zijn vrijgesteld van het vereiste om bewijzen van hun identiteit en nationaliteit te overleggen. Verzoeker meent dat de beoordeling van de asielprocedure directe gevolgen heeft voor de vaststelling van de identiteit binnen de beoordeling van een verzoek tot vaststelling van staatloosheid. Bovendien is inmiddels ook de nareis gezinshereniging van de moeder van verzoeker toegekend, mede op basis van identificerende documenten van de moeder, waarbij er geen twijfel bestond over de identiteit en het gezinsverband van verzoeker en zijn moeder. Verzoeker is van mening dat de documenten in onderlinge samenhang bezien, samen met de beoordelingen in de asielprocedure, maken dat voldoende is onderbouwd dat hij staatloos is.
De Staat stelt dat, nu verzoeker geen identiteitsdocument heeft overgelegd, onvoldoende kan worden vastgesteld dat verzoeker degene is die is genoemd op het individueel uittreksel, het familie uittreksel en op de UNRWA kaart. Voorts kan het familie uittreksel, ondanks dat er een foto aan is gehecht, niet gelden als officieel document dat de identiteit van verzoeker aantoont. De Staat wijst er bovendien op dat de asielprocedure erop gericht is om vast te stellen of een vreemdeling internationale bescherming behoeft. De beoordeling van de geloofwaardigheid/aannemelijkheid is in die procedure dus een andere dan in het geval van vaststelling van de staatloosheid. Daarbij heeft verzoeker voordat hij naar Nederland is gekomen, in Griekenland asiel aangevraagd onder een hele andere naam, wat te meer maakt dat er twijfel is over zijn identiteit en dat het van belang is dat zijn identiteit kan worden vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker de volgende documenten heeft overgelegd:
  • een UNRWA kaart;
  • een individueel uittreksel, afgegeven door de Arabische Republiek Syrië;
  • een familie uittreksel, met aangehecht een foto van verzoeker, afgegeven door de Arabische Republiek Syrië.
Bureau Documenten heeft de originele versie van deze documenten onderzocht en ten aanzien van de echtheid van alle documenten positief geadviseerd. Na de zitting is door de Staat nog aanvullend aangegeven dat het familie uittreksel van verzoeker door Bureau Documenten is onderzocht mét de aangehechte foto van verzoeker en dat de foto dus in de beoordeling van het document is meegenomen.
Voorts heeft verzoeker de volgende documenten overgelegd:
  • een kopie van het paspoort van zijn moeder;
  • een kopie van het paspoort van zijn zussen;
  • een kopie van een familieboekje uit 2003, afgegeven door de Arabische Republiek Syrië;
  • een kopie van een familieboekje van de familie van zijn moeder;
  • een kopie van de overlijdensakte van zijn vader;
  • een kopie van de overlijdensakte van zijn grootouders (van moeders kant).
Deze documenten zijn niet door Bureau Documenten op echtheid onderzocht.
Verder heeft verzoeker een kopie van zijn eerste gehoor (aanmeldgehoor) van 22 oktober 2021 overgelegd. Op 11 juli 2023 is door de IND de door verzoeker gevraagde bescherming verleend en is aan hem een verblijfsvergunning verleend. Verzoeker heeft een kopie van de beschikking van 11 juli 2023 overgelegd. Uit de beschikking volgt dat de identiteit en herkomst van verzoeker in de asielprocedure geloofwaardig is geacht.
De Staat heeft ter zitting medegedeeld te twijfelen aan de identiteit van verzoeker nu verzoeker in Griekenland een ander verhaal heeft verteld dan in Nederland.
De rechtbank is echter van oordeel dat verzoeker met de door hem in deze procedure overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien met het verhaal over de levensloop en vlucht van verzoeker en zijn toelichting daarop ter zitting en de beoordeling van de identiteit van verzoeker in de asielprocedure, voldoende heeft onderbouwd dat de persoon van verzoeker dezelfde is als op de door hem overgelegde documenten. Voorts is aan het familie uittreksel van verzoeker een foto van verzoeker gehecht en dit document is echt bevonden. Hierdoor is voor de rechtbank de twijfel over de identiteit van verzoeker die zou zijn ontstaan door een afwijkend asielrelaas in Griekenland, weggenomen. Verder heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij gezinshereniging voor zijn moeder heeft aangevraagd en dat deze inmiddels is verleend en dat daarbij geen twijfel bestond over de identiteit en het gezinsverband van verzoeker en zijn moeder; de Staat heeft in dat kader niet gevraagd om DNA-onderzoek waar dat gebruikelijk is zodra er twijfel is. Daaruit volgt dat het afwijkende asielrelaas, wat volgens de Staat onder meer inhield dat verzoeker in Griekenland een aanvraag heeft gedaan samen met zijn moeder, niet kan kloppen. Controleerbare feiten dat verzoeker wèl de persoon is die wordt genoemd in de informatie uit Griekenland en niet degene van wie in deze procedure stukken zijn overgelegd, ontbreken.
De rechtbank is gelet op het voornoemde van oordeel dat de identiteit van verzoeker vaststaat. De rechtbank zal daarom overgaan tot het beoordelen van de aanknopingspunten met betrekking tot de eventuele nationaliteit van verzoeker.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en Syrië in haar oordeel over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Dit omdat verzoeker stelt dat hij van Palestijnse afkomst is, dat hij in Syrië is geboren en dat hij daar tot zijn vlucht heeft verbleven. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoeker een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien, is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.
Wordt verzoeker als onderdaan van Syrië beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder heeft verkregen.
Uit werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de nationaliteit van Syrië.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, A. Emmens en C.L. Strop, rechters, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 19 december 2025.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina’s 11 en 12
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina’s 41 en 42