ECLI:NL:RBDHA:2025:26689

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 januari 2026
Zaaknummer
C/09/690712 / FA RK 25-6495 en C/09/693750 / JE RK 25-1842
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging ouderlijk gezag en verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van minderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over haar minderjarige kind, geboren in 2010. De rechtbank heeft het verzoek tot beëindiging van het gezag afgewezen, maar heeft wel de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van het kind verlengd. De Raad stelde dat het gezag van de moeder beëindigd moest worden omdat het kind ernstig in zijn ontwikkeling werd bedreigd en de moeder niet in staat was om de benodigde zorg en opvoeding te bieden. De moeder voerde verweer en stelde dat zij het beste voor had met haar kind en dat er geen noodzaak was voor beëindiging van het gezag. De rechtbank oordeelde dat, hoewel er zorgen waren over de ontwikkeling van het kind, het voortduren van het gezag van de moeder niet schadelijk was en dat er minder ingrijpende maatregelen beschikbaar waren. De rechtbank benadrukte dat de moeder, ondanks haar beperkingen, betrokken bleef bij het leven van het kind en dat de huidige kinderbeschermingsmaatregelen voldoende bescherming boden. De rechtbank heeft de verzoeken van de Raad afgewezen en de verzoeken van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers: C/09/690712 / FA RK 25-6495 en C/09/693750 / JE RK 25-1842
Datum uitspraak: 18 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer
I. Afwijzen verzoek tot beëindiging ouderlijk gezag
II. Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage (verzoek I),
hierna te noemen: de Raad,
en
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering(verzoek II),
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden ten aanzien van verzoek I aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.G. de Jong te Den Haag,
[gezinshuisouder 1]en
[gezinshuisouder 2],
hierna te noemen: de gezinshuisouders,
wonende in [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling, voornoemd.
De rechtbank merkt als belanghebbenden ten aanzien van verzoek II aan:
de moeder, voornoemd,
de gezinshuisouders, voornoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In verzoek I (C/09/690712 / FA RK 25-6495):
  • het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 26 augustus 2025;
  • het verweerschrift van de moeder van 25 november 2025.
In verzoek II (C/09/693750 / JE RK 25-1842):
  • het verzoekschrift van de gecertificeerde instelling met bijlagen, ontvangen op 28 oktober 2025;
  • de e-mail van de gezinshuisouders van 13 november 2025;
  • het toetsingsadvies van de Raad van 20 november 2025.
1.2.
De verzoeken I en II zijn gelijktijdig behandeld. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de Raad;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • mevrouw [gezinshuisouder 1] ;
  • [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
Mevrouw [gezinshuisouder 2] is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij wel juist is opgeroepen.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is gedurende het huwelijk van de moeder en de vader, [de vader] , geboren.
2.2.
Het huwelijk van de moeder en de vader is door echtscheiding ontbonden.
2.3.
De vader is op [dag] 2023 overleden.
2.4.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.5.
[minderjarige] woont bij de gezinshuisouders.
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 januari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 januari 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening.

3.Het verzoek van de Raad (verzoek I)

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen, de gecertificeerde instelling tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] heeft een belast verleden. Hij woont sinds 2014 niet meer bij de moeder. Een terugplaatsing bij de moeder is niet aan de orde en zijn perspectief ligt in het gezinshuis. Door zijn belaste verleden en de moeite die hij heeft met het omgaan met emoties, prikkels en spanning heeft hij een bovengemiddelde behoefte aan duidelijkheid en veiligheid. Daarbij komt dat [minderjarige] op momenten complex gedrag laat zien. Hij vraagt daardoor meer van zijn opvoeders. De Raad meent dat de moeder niet in staat is [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. Het is ook geen reële verwachting dat dit op korte termijn wel het geval zal zijn. De moeder heeft weinig inzicht in de belevingswereld van [minderjarige] en blijft, ondanks herhaalde uitleg en aanwijzingen, vooral vanuit haar eigen belang handelen. Ook heeft de moeder de afgelopen jaren niet opengestaan voor hulp voor zichzelf om beter te kunnen aansluiten bij [minderjarige] . De moeder wantrouwt de hulpverlening enorm, waardoor het niet mogelijk is een samenwerkingsrelatie met haar op te bouwen. Het feit dat de moeder nu nog dingen over [minderjarige] kan beslissen die niet altijd in zijn belang zijn, geeft [minderjarige] stress en onrust. De moeder heeft haar eigen visie op zaken, waarbij er (vaak) iets tegenover moet staan voordat de moeder toestemming geeft. Hierdoor duurt het lang om dingen te regelen. Dit maakt ook dat de plaatsing van [minderjarige] niet in vrijwillig kader voortgezet kan worden. Aangezien het perspectief niet bij de moeder ligt, is een voortzetting van de ondertoezichtstelling niet passend. De Raad meent daarom dat het gezag van de moeder beëindigd moet worden. [minderjarige] heeft het fijn bij de gezinshuisouders en ontwikkelt zich daar positief. De gezinshuisouders sluiten bij hem aan en geven hem het vertrouwen dat hij nodig heeft. [minderjarige] heeft een vertrouwensband opgebouwd met de jeugdbeschermer en voelt zich door haar gehoord. De Raad vindt het dan ook in het belang van [minderjarige] dat de gecertificeerde instelling wordt belast met de voogdij over hem. De Raad benadrukt daarbij dat het beëindigen van het gezag niet betekent dat de moeder uit het leven van [minderjarige] verdwijnt. De moeder moet nog steeds betrokken worden en ook is het belangrijk dat er gewerkt blijft worden aan contactherstel. Het belang en het tempo van [minderjarige] moeten daarin leidend zijn.

4.Het verzoek en standpunt van de gecertificeerde instelling (verzoek I en II)

4.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Indien de rechtbank niet overgaat tot het beëindigen van het gezag van de moeder, verzoekt de gecertificeerde instelling beide kinderbeschermingsmaatregelen te verlengen voor de duur van een jaar. Het perspectief van [minderjarige] is bepaald in het gezinshuis en er wordt dan ook niet toegewerkt naar een thuisplaatsing. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de belangen van [minderjarige] te blijven behartigen en de juiste hulpverlening voor hem in te blijven zetten. [minderjarige] gaat binnen afzienbare tijd starten met PMT om ervoor te zorgen dat hij beter in zijn vel gaat zitten. Daarnaast lijkt er een opening bij hem te zijn om met de moeder in gesprek te gaan. Dat wil hij alleen doen onder professionele begeleiding. De gecertificeerde instelling heeft hem daarom aangemeld bij [instelling 1] . De machtiging tot uithuisplaatsing blijft noodzakelijk om de plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis voort te zetten.

5.De overige standpunten (in de verzoeken I en II)

5.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Daartoe heeft de moeder aangevoerd dat het beëindigen van het ouderlijk gezag een ultimum remedium is dat uitsluitend gerechtvaardigd is in uitzonderlijke gevallen. Daarbij verwijst de moeder naar het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019. [1] De moeder meent dat niet aan de gronden voor een gezagsbeëindiging wordt voldaan. Zij stelt allereerst dat er geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . [minderjarige] woont al sinds oktober 2021 in het gezinshuis. De gezinshuisouders bieden hem de emotionele steun, structuur en begeleiding die hij nodig heeft. Ook maakt hij stappen in zijn ontwikkeling. [minderjarige] zit op zijn plek op zijn huidige school en krijgt ook daar de begeleiding die hij nodig heeft. Verder ontvangt hij passende hulpverlening van [instelling 2] voor rouwverwerking. De moeder herkent zich niet in het beeld dat van haar geschetst wordt. De moeder geeft [minderjarige] de ruimte en respecteert zijn wens om nu geen contact te hebben. Dat neemt niet weg dat de moeder daar veel verdriet van heeft. De moeder wil niets liever dan deel uitmaken van het leven van [minderjarige] . Op dit moment is het ouderlijk gezag het enige dat de moeder nog met [minderjarige] bindt. Die verbinding wil zij niet kwijtraken. Volgens de moeder is er ook geen noodzaak om haar gezag te beëindigen. Dat het soms wat langer duurt om toestemming te krijgen van de moeder heeft te maken met haar licht verstandelijke beperking. Hier wordt onvoldoende rekening mee gehouden door de gecertificeerde instelling. Zij geeft uiteindelijk wel toestemming voor gezagsbeslissingen. Van misbruik van gezag is al helemaal geen sprake. Het is dan ook niet schadelijk voor [minderjarige] als de moeder met het gezag belast blijft. De moeder beseft dat van een terugplaatsing van [minderjarige] geen sprake is. Hij zal opgroeien in het gezinshuis en dat accepteert de moeder ook. Middels de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing kan voldoende bescherming aan [minderjarige] geboden worden. [minderjarige] is inmiddels al bijna zestien jaar, waardoor er nog maar één verlengingszitting hoeft plaats te vinden voordat hij 18 jaar wordt. Het voortzetten van de huidige kinderbeschermingsmaatregelen is veel minder ingrijpend dan het beëindigen van het ouderlijk gezag en biedt [minderjarige] ook voldoende bescherming, waardoor de noodzaak tot een gezagsbeëindiging ontbreekt. De moeder verzoekt het verzoek van de Raad dan ook af te wijzen. Zij stemt in met het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen.
5.2.
De gezinshuisouder heeft zich niet uitdrukkelijk uitgelaten over de verzoeken. Zij heeft naar voren gebracht dat het naar omstandigheden redelijk goed gaat met [minderjarige] . [minderjarige] is erg bezig met zijn levensverhaal. Hij heeft veel meegemaakt in zijn leven en dat probeert hij een plek te geven. Dat is niet makkelijk voor hem. Tegelijkertijd laat hij zien veerkrachtig te zijn. Hij gaat naar school en wil aan zijn eigen toekomst werken. Ook is hij een band aan het opbouwen met zijn jongere pleegbroer. De gezinshuisouder benadrukt dat [minderjarige] kwetsbaar blijft door zijn verleden en zijn licht verstandelijke beperking. Hierdoor is het belangrijk dat hij de stabiliteit, voorspelbaarheid en veiligheid geboden krijgt die hij nodig heeft.

6.De beoordeling

C/09/690712 / FA RK 25-6495
6.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
6.2.
De rechtbank overweegt dat [minderjarige] nog altijd ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt in zijn leven, waaronder huiselijk geweld tussen zijn ouders, de uithuisplaatsing en het overlijden van zijn vader. Daarnaast heeft [minderjarige] een licht verstandelijke beperking, waardoor hij meer begeleiding en duidelijkheid nodig heeft. [minderjarige] heeft moeite met het omgaan met emoties, prikkels en spanning en vertoont op momenten complex gedrag. Het is duidelijk dat een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder al lange tijd niet meer aan de orde is. Het is de moeder de afgelopen jaren niet gelukt om te profiteren van de geboden hulpverlening en een voldoende stabiele en veilige opvoedsituatie voor [minderjarige] te creëren. [minderjarige] woont al sinds 2014 niet meer bij de moeder. De afgelopen tien jaar heeft contact tussen de moeder en [minderjarige] plaatsgevonden onder begeleiding. Dit heeft niet geleid tot een verbetering. Sinds augustus 2023 heeft [minderjarige] geen contact meer met de moeder. Het perspectief van [minderjarige] ligt dan ook niet meer bij de moeder maar bij het gezinshuis. Dit betekent dat wordt voldaan aan de a-grond van artikel 1:266, eerste lid, BW. De rechtbank merkt echter op dat artikel 1:266 BW een ‘kan-bepaling’ bevat. Deze bepaling impliceert een discretionaire bevoegdheid van de rechtbank. Beëindiging van het gezag betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder en kind en is de meest vergaande maatregel van kinderbescherming. Om die reden vereist artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen moet worden boven de zwaardere maatregel. Niet is gebleken dat het voortduren van het gezag van de moeder schadelijk is voor de ontwikkeling van [minderjarige] , in die zin dat de gezagsuitoefening zijn positieve ontwikkeling in de weg zit. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
6.3.
[minderjarige] verkeert niet in onzekerheid over waar hij verder zal opgroeien. [minderjarige] woont al geruime tijd bij de gezinshuisouders en ontwikkelt zich daar positief. Daar heeft de moeder zich ook bij neergelegd. Het beëindigen van het ouderlijk gezag zal dan ook niet meer duidelijkheid geven over het toekomstperspectief van [minderjarige] . De Raad legt onder meer aan het verzoek ten grondslag dat [minderjarige] veel spanning en onrust ervaart door het feit dat de moeder nog gezagsbeslissingen mag nemen. Daarnaast stelt de Raad ter onderbouwing dat de moeder regelmatig haar toestemming voor bepaalde zaken niet tijdig verleent. Ook stelt zij voorwaarden aan het geven van toestemming voor bepaalde zaken. Op die manier probeert zij, zo stelt de Raad, contact met [minderjarige] af te dwingen. De Raad heeft daarbij een aantal voorbeelden genoemd zoals de manier waarop de moeder de bankrekening van [minderjarige] beheert: zij wil dat [minderjarige] met haar contact opneemt wanneer hij meer dan het afgesproken weekbedrag wil ontvangen. Bij het kopen van een nieuwe bril wilde moeder dat de gezinshuisouders naar een bepaalde brillenwinkel gingen. Uiteindelijk werd het wel geregeld, maar het duurde wel iets langer. Hoewel de moeder niet ontkent dat toestemming soms langer duurde, benadrukt zij dat zij beslissingen nooit opzettelijk heeft tegengewerkt of vertraagd. De moeder heeft een andere zienswijze op de door de Raad genoemde voorbeelden. Wanneer haar om toestemming werd gevraagd, had zij soms vragen waarop zij eerst antwoord wilde voordat zij kon beslissen.
6.4.
De rechtbank ziet een betrokken moeder die het beste wil voor haar zoon. Tegelijkertijd ziet de rechtbank ook dat de samenwerking met de moeder niet soepel verloopt. Er gaat vaak veel tijd overheen voordat zij haar toestemming geeft en/of zij stelt eerst vragen of voorwaarden. De rechtbank benadrukt dat het belangrijk is dat (praktische) zaken voor [minderjarige] snel geregeld kunnen worden. Bij de beoordeling van de vraag of het voor deze moeder mogelijk is om haar ouderlijk gezag op zodanige manier uit te oefenen dat de belangen van [minderjarige] niet geschaad worden, moet worden meegewogen dat er bij de moeder sprake is van een verstandelijke beperking. Door haar beperking is het nodig dat haar van tevoren goed en duidelijk wordt uitgelegd waarom bepaalde dingen moeten gebeuren en wat er van de moeder nodig is. Daarbij lijkt geduld en intensieve begeleiding en ondersteuning van de moeder op zijn plaats te zijn. De rechtbank is er niet van overtuigd dat de gecertificeerde instelling de moeder tot op heden voldoende heeft begeleid bij het proces rondom het nemen van beslissingen. Op de zitting is namens de gecertificeerde instelling hierover verklaard dat zij, wanneer de moeder iets niet lijkt te begrijpen, het nogmaals uitleggen. Dit (b)lijkt echter onvoldoende.
6.5.
De rechtbank heeft er begrip voor dat het voor de gecertificeerde instelling en de gezinshuisouders lastig is dat de moeder wantrouwend is, en ook dat het veel extra moeite en tijd kost om de toestemming van de moeder voor praktische zaken te krijgen. Zoals hiervoor overwogen moet de rechtbank gelet op artikel 8 EVRM beoordelen of het doel – het soepeler laten verlopen van het verkrijgen van toestemming van de moeder – met een lichtere maatregel kan worden bereikt dan beëindiging van het gezag van de moeder. In dit geval betekent dit concreet dat er van de gecertificeerde instelling en de gezinshuisouders meer tijd, geduld en begrip gevraagd zou worden bij het vragen van toestemming van de moeder. Daarnaast bestaan er binnen het kader van de ondertoezichtstelling ook andere, minder ingrijpende, juridische mogelijkheden om toestemming van de moeder te krijgen, waaronder het geven van een schriftelijke aanwijzing aan de ouder met gezag. De rechtbank is er dan ook niet van overtuigd dat het beëindigen van het gezag noodzakelijk is om gezagsbeslissingen tijdig te kunnen nemen.
6.6.
Daarnaast neemt de rechtbank in overweging dat [minderjarige] inmiddels al bijna zestien jaar is, waardoor van een langdurige voortzetting van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing geen sprake zal zijn. Die kinderbeschermingsmaatregelen bieden [minderjarige] voldoende bescherming en zorgen ervoor dat de gecertificeerde instelling zijn belangen kan blijven behartigen en de juiste hulpverlening voor hem kan blijven inzetten (zie verder rechtsoverweging 6.8. e.v.).
6.7.
De rechtbank is dan ook niet gebleken dat het beëindigen van het gezag van de moeder noodzakelijk en proportioneel is en de rechtbank wijst het verzoek van de Raad dan ook af.
C/09/693750 / JE RK 25-1842
6.8.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [2] Ook is de verlenging van de machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [3]
6.9.
Zoals overwogen in rechtsoverweging 6.2 wordt [minderjarige] nog altijd ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Het is daarom noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft en toezicht houdt op zijn ontwikkeling. De gecertificeerde instelling moet ervoor zorgen dat de juiste hulpverlening voor [minderjarige] ingezet blijft worden. Daarnaast is het belangrijk dat er aandacht blijft voor contactherstel met de moeder. Om de plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis voor te zetten is het noodzakelijk om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen. De rechtbank wijst het verzoek van de gecertificeerde instelling, waartegen geen verweer is gevoerd, dan ook toe als verzocht.
6.10.
De beslissing tot de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [4]
6.11.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De rechtbank:
C/09/690712 / FA RK 25-6495
7.1.
wijst het verzoek af.
C/09/693750 / JE RK 25-1842
7.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 22 januari 2027;
7.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 22 januari 2027;
7.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, mr. J.C. van den Dries en
mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 27 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:501.
2.Artikel 1:260 BW.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
4.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.