ECLI:NL:RBDHA:2025:26585

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/09/636962 / JE RK 22-2198 en C/09/696159 / JE RK 25-2132
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van een minderjarige

Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de wijziging van de zorgregeling en de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2012. De rechtbank heeft de ondertoezichtstelling verlengd tot 17 december 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 17 april 2026. De zaak betreft de minderjarige die momenteel in een pleeggezin verblijft en wiens ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de benodigde hulpverlening nog niet is ingezet. De ouders hebben een verstoorde communicatie, wat het nemen van gezamenlijke beslissingen over de minderjarige bemoeilijkt. De rechtbank heeft de gecertificeerde instelling verzocht om de mogelijkheden voor een thuisplaatsing van de minderjarige bij de ouders of in het huidige pleeggezin te onderzoeken. De rechtbank heeft ook de Raad voor de Kinderbescherming om advies gevraagd over de omgang tussen de minderjarige en zijn ouders. De rechtbank heeft de zorgregeling voorlopig vastgesteld, waarbij de minderjarige om het weekend bij de vader verblijft en op zaterdag bij de moeder, met de mogelijkheid tot uitbreiding van de omgang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers:
I. C/09/636962 / JE RK 22-2198 (wijziging zorgregeling)
II. C/09/696159 / JE RK 25-2132 (verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 16 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer
I. Wijziging zorgregeling ex artikel 1:265g lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)
II. Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.N.G.N.H. Brech te Den Haag.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad.

1.Het verdere verloop van de procedure

C/09/636962 / JE RK 22-2198 – wijziging zorgregeling
1.1.
Bij beschikking van 18 november 2022 heeft de kinderrechter in deze rechtbank bepaald – met wijziging in zoverre van de beschikking van 19 april 2022 van de rechtbank – dat de vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt gewijzigd in die zin dat de regie bij de gecertificeerde instelling wordt belegd en dat door middel van een opbouwregeling wordt gewerkt naar de regeling zoals bepaald bij beschikking van 19 april 2022. Ook heeft de kinderrechter het verzoek toegewezen tot het gelasten van een deskundigenonderzoek naar de moeder, de vader en [de minderjarige] door het NIFP of een soortgelijke onderzoeksinstelling. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
Bij beschikking van 7 december 2023 en 6 juni 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de behandeling van het verzoek verder aangehouden.
Bij beschikking van 17 oktober 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank bepaald – met wijziging in zoverre van de beschikking van 18 november 2022 van de rechtbank – dat de vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt gewijzigd in die zin dat de regie
voorlopigbij de gecertificeerde instelling wordt belegd tot 17 juni 2025. Ook heeft de kinderrechter de Raad verzocht een onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen. De behandeling van het verzoek is verder aangehouden, met verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer.
Bij beschikking van 23 mei 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank opnieuw bepaald – met wijziging in zoverre van de beschikking van 18 november 2022 van de rechtbank – dat de vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt gewijzigd in die zin dat de regie
voorlopigbij de gecertificeerde instelling wordt belegd tot 18 juni 2025, vanwege de reeds geplande zitting bij de meervoudige kamer.
Bij beschikking van 17 juni 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank bepaald – met wijziging in zoverre van de beschikking van 18 november 2022 van de rechtbank – dat de vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt gewijzigd in die zin dat de regie
voorlopigbij de gecertificeerde instelling wordt belegd tot 1 september 2025. De behandeling van het verzoek is verder aangehouden.
Bij beschikking van 30 juli 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank bepaald – met wijziging in zoverre van de beschikking van 18 november 2022 van de rechtbank – dat de vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopigtot 17 december 2025 wordt gewijzigd, in die zin dat [de minderjarige] de ene week op woensdag van 12:30 uur tot 16:30 uur bij de moeder verblijft en dat [de minderjarige] de andere week van dinsdag na school tot woensdag 19:00 uur bij de vader verblijft, waarbij de regie voor de uitbreiding van de regeling bij de gecertificeerde instelling wordt gelegd. De behandeling van het verzoek is verder aangehouden.
De rechtbank neemt nu ook de volgende stukken mee in de beoordeling in zaaknummer C/09/636962 / JE RK 22-2198:
  • de voornoemde beschikkingen;
  • de briefrapportage van de gecertificeerde instelling met bijlage van 5 december 2025;
  • de brief van de moeder van 8 december 2025;
  • het verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, van de vader met bijlagen van 11 december 2025;
  • het visiedocument van de vader met bijlage, ontvangen op 12 december 2025.
C/09/696159 / JE RK 25-2132
1.2.
De rechtbank heeft op 15 december 2025 een verzoekschrift ontvangen van de gecertificeerde instelling, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg.
1.3.
Op 16 december 2025 heeft op de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank de (voortzetting van de) mondelinge behandeling van de verzoeken plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
De Raad is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de Raad wel juist is opgeroepen.
1.4.
De rechtbank heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de voorzitter van de meervoudige kamer. De voorzitter van de meervoudige kamer heeft tijdens de zitting samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
2.3.
[de minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.4.
Bij beschikking van 30 juli 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 17 december 2025 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

3.De verzoeken van de gecertificeerde instelling

3.1.
Uit de briefrapportage van de gecertificeerde instelling van 5 december 2025 volgt dat de gecertificeerde instelling het verzoek tot het wijzigen van de zorgregeling handhaaft, in de zin dat de gecertificeerde instelling verzoekt om de regie te mogen behouden over de zorgregeling.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft daarnaast verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van een jaar. De rechtbank begrijpt dat het de bedoeling is dat [de minderjarige] in het huidige pleeggezin blijft wonen en leest het verzoek van de gecertificeerde instelling dan ook zo, dat wordt verzocht om een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De gecertificeerde instelling heeft de verzoeken als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin. Hij lijkt daar tot rust gekomen te zijn en is zichtbaar opgebloeid. Ook op school gaat het goed met [de minderjarige] . Hij is een vrolijke en gemotiveerde leerling. [de minderjarige] heeft zowel in de klas als daarbuiten sociale contacten en spreekt na schooltijd met vrienden af. Wel heeft [de minderjarige] moeite met plannen en het maken van huiswerk. Het pleeggezin biedt hem hierin adequate ondersteuning. [de minderjarige] heeft de wens uitgesproken om zijn schoolloopbaan op deze school voort te zetten, in ieder geval voor het huidige schooljaar. Op dit moment is het pleeggezin opnieuw in beraad of [de minderjarige] daar kan blijven wonen en, zo ja, onder welke voorwaarden. In een recent netwerkberaad heeft het pleeggezin naar voren gebracht onder welke voorwaarden [de minderjarige] langer in het pleeggezin kan blijven wonen. Die voorwaarden zijn nog niet met de ouders besproken. [de minderjarige] heeft zelf aangegeven dat hij het naar zijn zin heeft in het pleeggezin, maar dat hij uiteindelijk graag terug wil naar de vader. Hij snapt dat daar nog stappen voor gezet moeten worden. Daarom wil hij de ouders stapsgewijs meer zien. [de minderjarige] heeft op dit moment in het weekend contact met zijn ouders. Het ene weekend is hij van zaterdagochtend tot zondagmiddag bij de vader en het andere weekend is hij op zaterdag bij de moeder. De omgang tussen [de minderjarige] en de moeder vindt op dit moment volledig begeleid plaats. Bij de omgang met de vader wordt gedurende twee uur ondersteuning geboden door een pedagogisch medewerker van Maatwerk. [de minderjarige] heeft op dit moment geen vaste belafspraken met de ouders. Hij geeft zelf aan dat nu ook niet te willen.
3.4.
[de minderjarige] volgt op dit moment geen behandeling. Hij is in september 2025 aangemeld bij Youz. Daar zou op 2 december 2025 een intakegesprek plaatsvinden, maar Youz heeft dit op het laatste moment geannuleerd omdat de hulpvragen door Youz toch niet passend werden geacht. Volgens Youz wordt nog niet voldaan aan de randvoorwaarden om behandeling gericht op trauma en hechting te kunnen starten. Deze randvoorwaarden zijn a) erkenning door beide ouders van het verleden en van de inhoud van de NIFP-rapportages, b) het waarborgen van de veiligheid van [de minderjarige] en c) duidelijkheid over het toekomstperspectief van [de minderjarige] . Het probleem is voornamelijk dat de ouders niet op één lijn liggen in hun visie. Dat kan het traject negatief beïnvloeden en de veiligheid van [de minderjarige] in gevaar brengen als [de minderjarige] zich niet veilig kan ontwikkelen en de therapie niet kan verwerken. Hoewel de gecertificeerde instelling nog in gesprek gaat met Youz, moet er ook naar alternatieven gezocht worden. Via Jeugdformaat is er een nieuw traject wat mogelijk passend is. De ouders kunnen daarin ook een training volgen gericht op traumasensitief opvoeden. Beide ouders hebben daarmee ingestemd en dat traject kan op korte termijn starten. Mogelijk kan ook gestart worden met Slapende Honden Wakker Maken. Dat is vergelijkbaar met NIKA, maar de wachtlijsten zijn korter.
3.5.
De gecertificeerde instelling verzoekt de rechtbank om een duidelijke opdracht te geven aan de gecertificeerde instelling waarin wordt bepaald bij welke ouder een thuisplaatsing moet worden onderzocht. Nu behandeling vanuit Youz niet kan worden opgestart zolang beide ouders niet voldoen aan de gestelde randvoorwaarden, acht de gecertificeerde instelling richting en termijn vanuit de rechtbank noodzakelijk.

4.Het standpunt en verzoek van de vader

4.1.
Door en namens de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing. De vader merkt allereerst op dat het niet klopt dat hij instemt met het verzoek, terwijl dit wel zo wordt benoemd in het verzoekschrift. De gecertificeerde instelling heeft de vader helemaal niet om zijn mening gevraagd. De vader stemt niet in met de verzochte duur van de maatregelen. Hij verzoekt de kinderbeschermingsmaatregelen slechts toe te wijzen voor drie maanden en het verzoek voor het overige aan te houden. Dat heeft er met name mee te maken dat er ook de afgelopen maanden weinig tot niets is gebeurd. In ieder geval is er niet concreet gewerkt aan het verbeteren van de band tussen [de minderjarige] en de ouders, waardoor ook niet gewerkt is aan een thuisplaatsing. Om de druk erop te houden en ervoor te zorgen dat de gecertificeerde instelling zich daadwerkelijk gaat inspannen voor een thuisplaatsing, is het nodig dat de rechtbank vinger aan de pols houdt. Daarbij benadrukt de vader dat de consistente wens van [de minderjarige] om weer bij de vader te mogen wonen, niet uit het oog verloren mag worden. De komende tijd moet daarop ingezet worden, waarbij er frequente evaluaties moeten zijn op basis van een objectieve toetsing.
4.2.
Door en namens de vader is daarnaast verweer gevoerd tegen het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling tot wijziging van de zorgregeling. De vader heeft bij wege van zelfstandig verzoek verzocht om de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader zoals vastgesteld bij beschikking van 30 juli 2025 op grond van artikel 1:265g lid 2 BW te wijzigen en te bepalen dat:
De vader voortaan gerechtigd is om [de minderjarige] om de week het weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur bij zich te hebben, waarbij de overdrachten plaatsvinden op Station [plaats] , althans enige andere vaste regeling vast te stellen die de rechtbank passend acht;
[de minderjarige] aanvullend bij de vader zal zijn op 25 december 2025 van 13.00 uur tot
26 december 2025 13.00 uur en op 31 december 2025 van 13.00 uur tot
1 januari 2026 19.00 uur, althans enige andere regeling voor de kerstperiode vast te stellen die de rechtbank passend acht;
3. Een vast belcontact vast te leggen als volgt: [de minderjarige] belt de vader als [de minderjarige] dat wil op woensdag tussen 19.00 uur en 19.30 uur of een ander vast tijdstip.
De vader heeft daartoe het volgende aangevoerd. De vader meent dat de rechtbank bij het nemen van de beslissing van 30 juli 2025 is uitgegaan van onjuiste of onvolledige feiten. Subsidiair beroept de vader zich op gewijzigde omstandigheden. De rechtbank ging ervan uit dat de gecertificeerde instelling uitvoering zou geven aan de door de rechtbank vastgelegde regeling en zou werken aan uitbreiding van die regeling. In de praktijk hebben de vader en [de minderjarige] elkaar alleen maar minder gezien en heeft de gecertificeerde instelling de beschikking van 30 juli 2025 dus niet nageleefd. Een uitbreiding van de zorgregeling is wel in het belang van [de minderjarige] , die zelf bij de jeugdbeschermer heeft aangegeven meer bij de vader te willen zijn en (op termijn) weer thuis te willen wonen. [de minderjarige] en de vader hebben er recht op dat wordt gewerkt aan het behoud van hun onderlinge band en uiteindelijk gezinshereniging. De vader wijst daarbij op artikel 8 EVRM en artikel 7 IVRK en het arrest Van Slooten/Nederland [1] . Er dient concreet aan hereniging gewerkt te worden, met toetsbare stappen en evaluaties. Beperkingen moeten tijdelijk en onderbouwd zijn. Daarvan is in dit geval geen sprake. Ten aanzien van de verzochte feestdagenregeling geeft de vader aan dat daar inmiddels afspraken over zijn gemaakt. De vader blijft wel bij zijn standpunt dat er een vast belmoment opgenomen moet worden in de zorgregeling. Dit ziet immers ook op het herstellen van de band tussen [de minderjarige] en de vader. Op dit moment zijn het de pleegouders die bepalen wanneer er met [de minderjarige] gebeld kan worden. Dat is niet wenselijk. [de minderjarige] moet – mede gelet op zijn leeftijd – zelf kunnen bepalen of hij de ouders wil bellen of niet, zonder dat hij daar toestemming voor moet vragen.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
Hoewel het verzoek tot de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing te laat is ingediend en onvoldoende is onderbouwd, wordt namens de moeder geen verweer gevoerd tegen de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder voert wel verweer tegen de verzochte duur van de machtiging uithuisplaatsing. De moeder verzoekt primair de machtiging uithuisplaatsing slechts te verlengen voor drie maanden en het verzoek voor het overige aan te houden. Subsidiair verzoekt de moeder de machtiging uithuisplaatsing te verlengen voor zes maanden en het verzoek voor het overige aan te houden. Daartoe is het volgende aangevoerd. Hoewel de moeder niet verwacht dat [de minderjarige] over drie maanden naar huis kan, is het noodzakelijk dat de rechtbank vinger aan de pols houdt. De plaatsing van [de minderjarige] in het pleeggezin dreigt in gevaar te komen als de vader niet instemt met de door het pleeggezin gestelde voorwaarden. De moeder staat achter de plaatsing in het pleeggezin en heeft een goede samenwerking met de pleegmoeder. Zij ziet dat [de minderjarige] het naar zijn zin heeft in het pleeggezin en zich daar goed ontwikkelt. Het is daarom noodzakelijk dat de plaatsing in het pleeggezin voortgezet wordt. De moeder meent dat de gecertificeerde instelling niet adequaat handelt en de regie teveel bij de vader laat. Daarnaast heeft de gecertificeerde instelling de afgelopen maanden wederom weinig gedaan. Zo is er nog altijd geen (systemische) hulpverlening ingezet. De moeder heeft zelf nog naar voren gebracht dat zij grote problemen heeft met de gang van zaken rondom de aanmelding bij Youz. De ouders zijn niet meegenomen in de aangeleverde hulpvragen. Ook is geen toestemming gevraagd voor het delen van de NIFP-rapportages. Voor de intake zouden [de minderjarige] , de ouders en de pleegouders vragenlijsten moeten invullen over de klachten en problemen die spelen. De resultaten zouden besproken worden tijdens de intake. Dit proces impliceert dat niet vooraf door Youz bepaald had kunnen worden dat niet aan de randvoorwaarden wordt voldaan. Youz kan dit helemaal niet weten. Ook is er nog altijd geen duidelijkheid over het perspectief van [de minderjarige] . Over het verzoek van de gecertificeerde instelling aan de rechtbank om een duidelijke opdracht te formuleren aan de gecertificeerde instelling waarin wordt bepaald bij welke ouder een thuisplaatsing onderzocht dient te worden, is de moeder van mening dat de rechtbank niet gaat over de invulling van de ondertoezichtstelling, tenzij een geschil wordt voorgelegd in het kader van de geschillenregeling. Dat verzoek ligt niet voor. Het is aan de gecertificeerde instelling om een opvoedbesluit te nemen en dat kan dan aan de rechtbank voorgelegd worden. Er moet kortom nog veel gebeuren, waardoor het belangrijk is dat er een tussentijds toetsmoment van de rechtbank komt.
5.2.
Ten aanzien van de verzoeken van de gecertificeerde instelling en de vader tot het wijzigen van de zorgregeling, heeft de moeder het volgende naar voren gebracht. De moeder verzoekt wederom een voorlopige zorgregeling te bepalen, omdat er onvoldoende informatie is om een vaste zorgregeling te bepalen. Zo ontbreekt het plan van aanpak en ontbreekt de visie van de gedragswetenschapper ten aanzien van de omgangsverslagen. De moeder verzoekt daarom voorlopig te bepalen dat zij [de minderjarige] om het weekend op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur ziet. Die regeling wordt inmiddels al vier maanden uitgevoerd. De moeder vraagt de rechtbank om het verzoek van de vader ten aanzien van de verdeling van de feestdagen af te wijzen, omdat de feestdagen al in onderling overleg zijn verdeeld. Afgesproken is dat de moeder [de minderjarige] op eerste kerstdag onbegeleid ziet. De moeder refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de door de vader gevraagde vaste belmomenten. Tijdens het laatste netwerkoverleg is afgesproken dat [de minderjarige] door de week kan bellen als hij dat wil. Hij krijgt daartoe ruimte van het pleeggezin, maar [de minderjarige] heeft zelf weinig behoefte om te bellen.

6.De beoordeling

6.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [2] De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Hoewel [de minderjarige] het goed doet in het pleeggezin, is de benodigde hulpverlening voor [de minderjarige] nog altijd niet ingezet. [de minderjarige] laat in de thuissituatie bij beide ouders gedragsproblematiek zien waarbij zich ernstige incidenten hebben voorgedaan. Op school en in het pleeggezin laat hij zulk gedrag niet zien. [de minderjarige] is in september 2025 aangemeld bij Youz voor systemische hulpverlening. Vlak voor het intakegesprek in december 2025 heeft Youz het gesprek geannuleerd, omdat de ouders niet aan de randvoorwaarden zouden voldoen. Hierdoor zou Youz niet kunnen garanderen dat de behandeling op een voor [de minderjarige] verantwoorde en veilige wijze vormgegeven kan worden. Youz zou met name zorgen hebben over het visieverschil tussen de ouders. De communicatie en de samenwerking tussen de ouders is al langer ernstig verstoord, waardoor het hen niet lukt om gezamenlijk beslissingen te nemen over [de minderjarige] . De betrokkenheid van de gecertificeerde instelling blijft daardoor noodzakelijk. De gecertificeerde instelling moet zicht houden op de ontwikkeling van [de minderjarige] en ervoor zorgen dat de juiste hulpverlening voor hem en de ouders wordt ingezet. Daarnaast moet de gecertificeerde instelling regie voeren en zorgen dat beslissingen in het belang van [de minderjarige] worden genomen. Gelet op de zorgen en de complexe gezinsdynamiek zal de rechtbank de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar verlengen.
6.2.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
6.3.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [4] De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Er hebben zich ernstige incidenten voorgedaan bij de ouders thuis en daarvoor hebben zowel [de minderjarige] als de ouders nog niet de benodigde hulpverlening ontvangen. Het is daarom noodzakelijk dat [de minderjarige] langer uit huis geplaatst blijft. De rechtbank vindt het positief dat het goed gaat met [de minderjarige] in het huidige pleeggezin. Het pleeggezin biedt hem de structuur en duidelijkheid die hij nodig heeft en daar is [de minderjarige] zichtbaar bij gebaat. Het is wel de vraag of [de minderjarige] langer in het huidige pleeggezin kan blijven wonen. Het pleeggezin heeft recent aangegeven wat de voorwaarden zijn voor een langer verblijf. Niet duidelijk is of het dan ook kan gaan om een perspectiefbiedende plaatsing. De rechtbank vindt het – in lijn met het eerdere advies van de Raad van 8 juli 2025 – van belang dat er de komende periode duidelijkheid komt over het perspectief van [de minderjarige] . De gecertificeerde instelling heeft de rechtbank verzocht om een duidelijke opdracht te geven aan de gecertificeerde instelling waarin wordt bepaald bij welke ouder een thuisplaatsing moet worden onderzocht. Het is echter aan de gecertificeerde instelling om alle mogelijke opties te onderzoeken en aan de hand daarvan een opvoedbesluit te nemen. Dat opvoedbesluit kan dan niet als zodanig aan de rechtbank ter beoordeling worden voorgelegd, maar de rechtbank mag het opvoedbesluit wel beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het perspectief van de minderjarige. [5] De rechtbank geeft de gecertificeerde instelling dan ook mee om de komende maanden te onderzoeken wat de (on)mogelijkheden zijn van een plaatsing van [de minderjarige] bij de vader, bij de moeder, bij het huidige pleeggezin en een plaatsing elders. Daarbij dient de gecertificeerde instelling de eerdere rapporten van de Raad, het NIFP en de Experttafel in ogenschouw te nemen. Na zorgvuldige afweging dient de gecertificeerde instelling een opvoedbesluit te nemen. De gecertificeerde instelling dient dit opvoedbesluit - met de daaraan onderliggende stukken - vervolgens aan de rechtbank, de advocaten van beide ouders en de Raad te zenden.
6.4.
De rechtbank ziet aanleiding om de Raad weer om advies te vragen op grond van artikel 810, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gelet op de complexiteit van de zaak en de noodzaak om duidelijkheid te verschaffen aan [de minderjarige] , is het belangrijk dat de rechtbank het nog te nemen opvoedbesluit van de gecertificeerde instelling zorgvuldig kan beoordelen. De rechtbank verzoekt de Raad te adviseren over het (nog te nemen) opvoedbesluit. Daarbij vraagt de rechtbank ook advies aan de Raad omtrent de omgang tussen [de minderjarige] en zijn beide ouders en de (on)mogelijkheden ten aanzien van de uitvoering van het (gezamenlijk) ouderlijk gezag. Het staat de Raad vrij al hetgeen de Raad zelf nog relevant acht op te nemen in het advies.
6.5.
In afwachting van het opvoedbesluit van de gecertificeerde instelling en het advies van de Raad zal de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van vier maanden, te weten tot 17 april 2026, en dat verzoek voor het overige aanhouden. Voor 17 april 2026 zal er wederom een zitting bij de meervoudige kamer van de rechtbank worden gepland. In dat verband verzoekt de rechtbank de gecertificeerde instelling ook uiterlijk een week voorafgaand aan de nader te bepalen zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden te zenden. Daarin moet in ieder geval opgenomen worden hoe het met [de minderjarige] gaat, hoe de omgang met de ouders verloopt - met de daaraan onderliggende stukken (van de gedragswetenschapper) - ,welke behandeling is/wordt ingezet voor [de minderjarige] en de ouders en de te verwachten tijd die met de behandelingen gemoeid zal zijn.
6.6.
Ten aanzien van de wijziging van de zorgregeling dient de rechtbank te beoordelen of het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat de zorgregeling wordt gewijzigd. De rechtbank overweegt als volgt. Op dit moment is [de minderjarige] de ene week in het weekend bij de vader van zaterdag 11.00 uur tot zondag 19.00 uur, deels begeleid. In de andere week is [de minderjarige] op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de moeder, waarbij de omgang met de moeder wordt begeleid. Deze regeling komt niet overeen met de regeling zoals bepaald bij beschikking van 30 juli 2025. De rechtbank ziet daarom aanleiding de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de hiervoor genoemde regeling wordt vastgelegd. Voor zover de gecertificeerde instelling het in het belang van [de minderjarige] acht, kan de gecertificeerde instelling bepalen dat de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder wordt uitgebreid. In het kindgesprek met [de minderjarige] heeft hij duidelijk aangegeven dat hij op termijn wil proberen te overnachten bij de moeder. Als [de minderjarige] daar aan toe is en de gecertificeerde instelling dit passend en veilig vindt, dan moet dit mogelijk zijn. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vader ten aanzien van punt één afwijzen. De rechtbank hoeft geen beslissing meer te nemen ten aanzien van de verdeling van Kerst en Oud en Nieuw, nu daar tussen de partijen onderling al afspraken over zijn gemaakt. De vader heeft verder verzocht om vaste belmomenten in de zorgregeling op te nemen. De rechtbank wijst ook dat verzoek van de vader af, omdat de telefooncontacten eerder voor onrust en stress bij [de minderjarige] hebben gezorgd. Bovendien heeft [de minderjarige] de mogelijkheid zelf naar zijn ouders te bellen, wanneer hij dat wenst. De rechtbank zal wederom een voorlopige zorgregeling bepalen zoals hierboven weergegeven, waarbij de regeling geldt tot 17 april 2026 en het verzoek van de gecertificeerde instelling voor het overige aanhouden. De rechtbank vraagt de gecertificeerde instelling in de schriftelijke update zoals genoemd in 6.5. ook op te nemen wat het plan is voor de omgang tussen [de minderjarige] en de ouders vanaf april 2026, aangezien het pleeggezin heeft aangegeven dat het campingseizoen vanaf april 2026 weer begint en zij in de weekenden daar naartoe zullen gaan. [de minderjarige] gaat erg graag met het pleeggezin mee naar de camping. Nu de huidige omgang plaatsvindt in het weekend zal hier door de gecertificeerde instelling ook aandacht aan geschonken moeten worden.
6.7.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 17 december 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 17 april 2026;
7.3.
bepaalt
voorlopigtot 17 april 2026 – met wijziging in zoverre van de beschikking van 18 november 2022 van de rechtbank – dat [de minderjarige] het ene weekend van zaterdag 11.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader verblijft en het andere weekend op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de moeder verblijft (met begeleiding). Voor zover de gecertificeerde instelling dat in het belang van [de minderjarige] acht, kan de gecertificeerde instelling bepalen dat de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder wordt uitgebreid (met bijvoorbeeld een nacht (onbegeleid) logeren). De regie wordt op dat vlak bij de gecertificeerde instelling belegd;
7.4.
wijst af het zelfstandige verzoek van de vader;
7.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.6.
houdt de behandeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing en het verzoek tot wijziging van de zorgregeling van de gecertificeerde instelling voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting bij de meervoudige kamer van de rechtbank,
gelegen voor 17 april 2026;
7.7.
gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:
  • de gecertificeerde instelling;
  • de vader;
  • de advocaat van de vader: mr. M.N.G.N.H. Brech;
  • de moeder;
  • de advocaat van de moeder: mr. R.W. de Gruijl;
  • de pleegouders;
  • de Raad;
  • [de minderjarige] voor een kindgesprek;
7.8.
verzoekt de gecertificeerde instelling het opvoedbesluit (met de daaraan onderliggende stukken), zodra dat besluit genomen is, zo spoedig mogelijk aan de rechtbank, de advocaten van beide ouders en de Raad te zenden;
7.9.
verzoekt de gecertificeerde instelling
uiterlijk één weekvoorafgaand aan de nader te bepalen zitting een schriftelijke update als bedoeld in 6.5. aan de rechtbank en de belanghebbenden te zenden;
7.10.
verzoekt de Raad een onderzoek te verrichten met het in 6.4. omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
7.11.
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking en de processtukken aan de Raad zal toesturen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 door
mr. J.C. van den Dries, mr. M.J.L. van der Waals en mr. C.M. Koole, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 8 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18.
2.Artikel 1:260 BW.
3.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
4.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
5.Hoge Raad 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148.