ECLI:NL:RBDHA:2025:26421

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL24.50436
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag gegrond verklaard wegens ondeugdelijke voorbereiding en motivering door verweerder

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de afwijzing van een asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, een Afghaanse nationaliteit, had op 13 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. Na een eerdere uitspraak van de rechtbank op 26 september 2023, waarin werd geoordeeld dat verweerder niet tijdig had beslist, werd de asielaanvraag op 29 september 2023 afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, wat leidde tot een vernietiging van het besluit door de rechtbank op 30 mei 2024. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende informatie had om de risico's voor uit het Westen terugkerende Afghanen te beoordelen. In het bestreden besluit van 16 december 2024 werd de asielaanvraag opnieuw afgewezen, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder het besluit ondeugdelijk had voorbereid en gemotiveerd. De rechtbank stelde vast dat verweerder eiser niet had gehoord over relevante individuele omstandigheden en dat er geen nieuw voornemen was uitgebracht na de eerdere uitspraak. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50436

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq,
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

gemachtigde: mr. C. van der Zijde.

Procesverloop

Eiser heeft op 13 januari 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Bij brief van 2 november 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens overschrijding van de beslistermijn.
Op 17 november 2022 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn asielaanvraag.
Bij uitspraak van 26 september 2023 (NL22.23495) heeft deze rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor te houden op de aanvraag en, als de aanvraag van eiser overgaat naar de verlengde asielprocedure, binnen acht weken na het nader gehoor op de aanvraag te beslissen.
Bij besluit van 29 september 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.
Eiser heeft op 5 oktober 2023 tegen dit besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 30 mei 2024 (NL23.31642) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op de asielaanvraag te nemen.
Bij besluit van 16 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde asielprocedure opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.
Eiser heeft op 17 december 2024 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de tolk H.C. Khairan en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1. Voor de feiten verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 30 mei 2024.
Het bestreden besluit
2.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst; en
- problemen ondervonden met de Taliban na terugkeer uit Europa.
2.2.
In lijn met de eerdere besluitvorming heeft verweerder de door eiser gestelde identiteit (meer specifiek zijn geboortejaar en gestelde etniciteit als Hazara) en gestelde problemen met de Taliban na terugkeer uit Europa ongeloofwaardig geacht en de gestelde nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dat eiser eerder is teruggekeerd naar Afghanistan kan volgens verweerder niet leiden tot een asielvergunning. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 20 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4648) overwogen dat uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Eisers individuele omstandigheden maken dit niet anders. Er doet zich volgens verweerder daarom geen asielgrond voor als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser hem heeft misleid over zijn identiteit door een vals identiteitsdocument te overleggen en hiervoor geen verklaring te geven.
Uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2024
3. De rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft in de uitspraak van 30 mei 2024 geoordeeld dat verweerder over onvoldoende informatie beschikt om de problemen te kunnen beoordelen die uit het Westen terugkerende Afghanen ondervinden wegens de negatieve belangstelling van de Taliban. Wegens die onduidelijkheid kan verweerder zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat eiser, als uit Europa terugkerende Afghaan, bij terugkeer geen reëel risico zal lopen op ernstige schade. Dit betekent dat verweerder nader onderzoek zal moeten verrichten naar de risico’s in Afghanistan van uit Europa terugkerende asielzoekers en het besluit wordt vernietigd omdat het niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
Uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024
4. De Afdeling heeft in de uitspraak van 20 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4648) geconcludeerd dat uit de informatie uit de openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als een groep die wegens dat verblijf in het Westen een reëel risico op ernstige schade loopt. Het is, gelet op artikel 31 van de Vw 2000, aan een vreemdeling die terugkeert vanuit het Westen om met individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom hij in de negatieve belangstelling van de Taliban staat. Het verblijf in het Westen zou er, in combinatie met andere individuele factoren, toe kunnen leiden dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat.
Omvang van het geding
5. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraken van 26 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:522 en 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2670) het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank, waarbij de rechtbank een eerder besluit heeft vernietigd, tot gevolg heeft dat, indien in beroep tegen het nieuwe besluit beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank in beginsel van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen een hernieuwde beoordeling van een eerder verworpen beroepsgrond evenwel rechtvaardigen. Tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 30 mei 2024 hebben partijen geen hoger beroep ingesteld, zodat deze uitspraak in rechte vaststaat. Dat betekent dat de vraag of eiser zijn identiteit en de gestelde problemen met de Taliban geloofwaardig heeft gemaakt, buiten de omvang van het onderhavige geschil valt.
Standpunt eiser
6.1.
Eiser betoogt dat verweerder, na de uitspraak van deze rechtbank, ten onrechte geen nieuw voornemen heeft uitgebracht. Hierdoor is hem de mogelijkheid ontnomen om te reageren op de nieuwe afwijzing. Gelet op de Afdelingsuitspraak van
20 november 2024 had dit wel gemoeten. In die uitspraak is namelijk de vraag aan de orde gesteld wat het betekent voor de uitgeprocedeerde Afghanen om terug te keren naar Afghanistan. Volgens eiser heeft verweerder in het bestreden besluit enkel gekeken naar de situatie zoals die was tot en met de vlucht uit Afghanistan uit 2019. Door onverkort opnieuw een afwijzende beslissing te nemen heeft verweerder ten onrechte niet zijn persoonlijke omstandigheden en de relevante risico-beïnvloedende factoren bij de beoordeling betrokken. Om die reden heeft verweerder opnieuw zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser als uit het Westen terugkerende asielzoeker geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.2.
Eiser heeft de volgende persoonlijke omstandigheden en relevante risico-beïnvloedende factoren aangevoerd. Hij behoort tot de bevolkingsgroep Tadzjieken en de Sjiitische geloofsgemeenschap en is afkomstig uit Kandahar. Hij heeft ruim tien jaar buiten Afghanistan verblijven en heeft vanwege het gebrek aan opleiding niet de vaardigheden om zijn hoofd boven water te houden in Afghanistan. Omdat eiser goed Nederlands spreekt zal hij als ‘anders’ worden gezien dan jongemannen die zich sinds 2021 hebben geconformeerd aan het Taliban regime. Ook zal eiser vanwege zijn familie in Nederland als onderdeel van de elite worden beschouwd. Verder geldt dat eiser zich via zijn account op X uitspreekt over de mensenrechtensituatie in Afghanistan.
Beoordeling
7.1.
Zoals hiervoor is overwogen valt de vraag of eiser vanwege zijn identiteit en de gestelde problemen met de Taliban een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer buiten de omvang van het geding. Deze omstandigheden laat de rechtbank dan ook onbesproken.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit ondeugdelijk heeft voorbereid en gemotiveerd. De reden hiervoor is dat de discussie tussen partijen na het vernietigde besluit van 29 september 2023 nimmer is gegaan over implicaties van de Afdelingsuitspraak van 20 november 2024 voor eisers zaak. In de uitspraak van 30 mei 2024 heeft deze rechtbank verweerder opgedragen om nader onderzoek te verrichten naar de risico’s in Afghanistan van uit Europa terugkerende asielzoekers. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat hier volgens de uitspraak van de rechtbank onderzoek naar zou moeten worden gedaan maar dat uit de Afdelingsuitspraak van 20 november 2024 ook blijkt dat uit de informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Dat is op zichzelf juist maar uit de Afdelingsuitspraak van 20 november 2024 volgt ook dat de vreemdeling die terugkeert vanuit het westen aan de hand van individuele omstandigheden aannemelijk kan maken waarom hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt. Na de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2024 had het daarom op de weg van verweerder gelegen om eiser over de in de Afdelingsuitspraak bedoelde individuele omstandigheden te bevragen en hem in de gelegenheid te stellen die omstandigheden te onderbouwen. Na de vernietiging van het besluit van 29 september 2023 heeft verweerder eiser geen aanvullend gehoor aangeboden en evenmin een nieuw voornemen uitgebracht. Er is, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, in die periode in het geheel geen contact geweest tussen verweerder en eiser. Eiser had dus niet kunnen vermoeden dat hij in die fase van de procedure de in 6.2 genoemde omstandigheden uit eigen beweging naar voren had moeten brengen. Verweerder heeft aangevoerd dat zij in het bestreden besluit de risicobeoordeling heeft gebaseerd op de verklaringen die eiser in het nader gehoor heeft afgelegd maar dat gehoor dateert van 1 februari 2023. Tijdens dat gehoor is enkel gevraagd naar en verklaard over de gestelde problemen met de Taliban in Afghanistan in de periode tussen 2013 en 2019. De vraag of eiser als uit het Westen terugkerende asielzoeker een reëel risico op ernstige schade loopt is destijds niet aan eiser voorgelegd en de verklaringen over de asielmotieven sluiten ook niet naadloos aan op de beantwoording van de vraag het risico bij terugkeer naar Afghanistan vanuit het Westen. Deze beroepsgrond slaagt.
Tussenconclusie
8. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Definitieve geschilbeslechting
9. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Verweerder heeft eiser niet gehoord over de individuele omstandigheden die relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt. Eiser heeft in beroep omstandigheden genoemd maar het is ter zitting onduidelijk gebleven of verweerder deze omstandigheden aanmerkt als relevante risicofactoren. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat onduidelijk is wat eiser bedoelt met de stelling dat hij tot de elite behoort, dat het zich uitspreken over de mensenrechtensituatie in Afghanistan op zijn X account niet is onderbouwd, dat eiser onvoldoende heeft uitgelegd waarom hij zich niet kan conformeren aan de culturele normen en waarden in Afghanistan en hoe de omstandigheid dat hij Tadzjiek zou zijn een ander licht zou kunnen werpen op de risicobeoordeling. Met deze tegenwerpingen van verweerder is eiser eerst op zitting geconfronteerd. Uitgangspunt van de samenwerkingsverplichting, zoals die volgt uit de Procedurerichtlijn, is dat de vreemdeling in beginsel in een asielgehoor wordt bevraagd over eventuele onduidelijkheden of onaannemelijkheden die verweerder constateert in de verklaringen van de vreemdeling, omdat dat de fase is waarin verweerder de feiten vaststelt en de vreemdeling de gelegenheid geeft om zijn stellingen nader toe te lichten en/of aannemelijk te maken. Door de tegenwerpingen pas op zitting naar voren te brengen en niet aan eiser in de besluitvorming voor te houden, is eiser benadeeld en onvoldoende in de gelegenheid gesteld om een nadere onderbouwing of toelichting te geven. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat verweerder ervoor heeft gekozen geen verweerschrift in te dienen, hoewel hij hier vier maanden de gelegenheid voor had. De rechtbank ziet verder geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien omdat het aan verweerder is om de risicobeoordeling te maken en die beoordeling deugdelijk voor te bereiden en motiveren. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat dit, gelet op de aard van de gebreken, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
Proceskosten
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Toegekend wordt € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- bij een
wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.