ECLI:NL:RBDHA:2025:26413

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.55181
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel van Noord-Macedonische vreemdeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 26 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan een Noord-Macedonische vreemdeling. De vreemdeling, eiser, arriveerde op 17 oktober 2025 in Nederland, waar hem de toegang werd geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel werd opgelegd op basis van artikel 6 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft vervolgens asiel aangevraagd, maar zijn aanvraag werd op 3 november 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 11 november 2025 werd de maatregel opgeheven, maar een nieuwe maatregel werd opgelegd, die nu ter beoordeling voorligt.

De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 behandeld, waarbij eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De rechtbank overwoog dat de maatregel was opgelegd vanwege een risico op onderduiken, wat door verweerder werd onderbouwd. Eiser voerde aan dat hij suïcidaal was en dat de maatregel onevenredig bezwarend was, maar de rechtbank oordeelde dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij detentieongeschikt was. De rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende voortvarend handelde in het terugkeerproces, ondanks dat er nog geen vluchtgegevens bekend waren.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55181

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is ook een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1963 en heeft de Noord-Macedonische nationaliteit.
1.1
Eiser is op 17 oktober 2025 aangekomen in Nederland. Op die datum is hem de toegang tot Nederland geweigerd en is aan hem de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw opgelegd. Vervolgens heeft eiser aan de grens een asielwens geuit. Daarop is het besluit omtrent het al dan niet verlenen van toegang uitgesteld en is op 20 oktober 2025 aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Verweerder heeft bij besluit van 3 november 2025 de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft geen verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Op 11 november 2025 is de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgeheven en de nu ter beoordeling voorliggende maatregel opgelegd.
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat ten aanzien van eiser een risico op onderduiken bestaat, wat volgens verweerder blijkt uit de feiten en omstandigheden dat eiser:
(zware gronden)
3a Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3j aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
(lichte gronden)
4c geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de zware grond onder 3b niet aan hem kan tegenwerpen. Hij is direct aan de grens tegengehouden en in de macht van de autoriteiten gekomen. Hij heeft zich dus niet kunnen onttrekken.
4.1
De rechtbank stelt vast dat eiser de overige zware en de lichte gronden niet heeft bestreden. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder deze gronden niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan de conclusie dat ten aanzien van eiser een risico op onderduiken bestaat. Tezamen kunnen deze overige zware en de lichte gronden die conclusie ook kunnen dragen. Eisers beroepsgrond behoeft daarom geen bespreking.
De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder in zijn geval had moeten afzien van de oplegging van de maatregel. Hij uit zich suïcidaal als hij terug zou moeten naar Noord-Macedonië. Dat maakt dat de maatregel in zijn geval onevenredig bezwarend is.
5.1
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [1] volgt dat het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij detentieongeschikt is, en niet aan verweerder om het tegendeel te bewijzen. Verder is van detentieongeschiktheid pas sprake als vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg niet toereikend is, of de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan, dan wel wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door een gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Wat eiser heeft aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een van deze omstandigheden. Eisers enkele stelling dat hij zich suïcidaal zou uiten is daarvoor onvoldoende. Daarbij stelt de rechtbank vast dat eiser in het vertrekgesprek van 11 november 2025 weliswaar heeft verklaard “[M]aar jullie sturen mij naar een plek waar ik niet naar toe wil gaan. Dat wordt mijn dood.”, maar deze verklaring moet naar het oordeel van de rechtbank worden bezien in het licht van eisers verklaringen dat hij in Noord-Macedonië niemand meer zou hebben, geen plek zou hebben om naar toe te gaan en geen opvang zal hebben, waarna eiser verklaart dat hij dood zal zijn binnen drie dagen. Voor zover deze verklaringen moeten worden opgevat als uitingen van suïcidale gedachten, is de rechtbank van oordeel dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij detentieongeschikt is. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting er terecht op gewezen dat in het detentiecentrum medische voorzieningen aanwezig zijn die eiser kunnen helpen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze voorzieningen voor hem niet adequaat of beschikbaar zijn.
De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Hij heeft een goed bevonden paspoort, dat in het bezit is van verweerder. Verweerder had eiser daarom al geruime tijd kunnen uitzetten. Er zijn nog geen vluchtgegevens genoemd. Dit duurt te lang.
6.1
Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 20 november 2025 aangegeven dat het terugkeerproces op 11 november 2025 is opgestart, waarbij het paspoort van eiser zoek leek te zijn. Daarom is eerst een ander traject bewandeld, maar vervolgens bleek het paspoort aanwezig. Op 18 november 2025 is de Koninklijke Marechaussee verzocht de removal order te effectueren. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde te kennen gegeven dat nog geen vluchtgegevens bekend zijn.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat verweerder beschikt over een geldig reisdocument van een vreemdeling op zichzelf niet betekent dat verweerder binnen een korte termijn over moet gaan tot uitzetting. Verweerder is voor de uitzetting immers afhankelijk van meer omstandigheden dan het kunnen beschikken over een geldig reisdocument voor de vreemdeling. In een geval als dit moet verweerder namelijk beoordelen of een removal order kan worden geëffectueerd, of escorts ingezet moeten worden en administratieve handelingen verrichten, zoals het vervoer van de vreemdeling. Dat betekent echter niet dat verweerder niet met de nodige voortvarendheid moet werken. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in het geval van eiser voldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Het terugkeerproces is op de dag van de oplegging van de maatregel opgestart, onder meer door een vertrekgesprek met eiser te voeren. Tijdens dat vertrekgesprek heeft eiser te kennen gegeven dat hij niet wil meewerken, waardoor verweerder mogelijk escorts moet inzetten. Verder heeft verweerder de Koninklijke Marechaussee op 18 november 2025 verzocht de removal order te effectueren en een vlucht te boeken. Dat op dit moment nog geen vluchtgegevens bekend zijn, is onvoldoende om te concluderen dat verweerder daarom onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting.
De beroepsgrond slaagt niet.
7. Ambtshalve toetsend is het de rechtbank verder niet gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd of voortduurt. Er is ook niet gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers terugkeer.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2666.