In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 26 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan een Noord-Macedonische vreemdeling. De vreemdeling, eiser, arriveerde op 17 oktober 2025 in Nederland, waar hem de toegang werd geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel werd opgelegd op basis van artikel 6 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft vervolgens asiel aangevraagd, maar zijn aanvraag werd op 3 november 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 11 november 2025 werd de maatregel opgeheven, maar een nieuwe maatregel werd opgelegd, die nu ter beoordeling voorligt.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 behandeld, waarbij eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De rechtbank overwoog dat de maatregel was opgelegd vanwege een risico op onderduiken, wat door verweerder werd onderbouwd. Eiser voerde aan dat hij suïcidaal was en dat de maatregel onevenredig bezwarend was, maar de rechtbank oordeelde dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij detentieongeschikt was. De rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende voortvarend handelde in het terugkeerproces, ondanks dat er nog geen vluchtgegevens bekend waren.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.