ECLI:NL:RBDHA:2025:2630

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2025
Publicatiedatum
21 februari 2025
Zaaknummer
NL25.5501
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw 2000Art. 94 lid 1 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag heeft op 19 februari 2025 uitspraak gedaan over het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op 18 november 2024 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder al op 2 december 2024 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was.

In deze procedure werd uitsluitend beoordeeld of het voortduren van de maatregel na het sluiten van het eerdere onderzoek op 26 november 2024 nog rechtmatig was. De minister stelde de rechtbank op 5 februari 2025 in kennis van het voortduren van de maatregel, wat gelijk werd gesteld met een nieuw beroep. De rechtbank sloot het vooronderzoek op 12 februari 2025 en bepaalde dat de zaak niet op zitting zou worden behandeld.

Op 17 februari 2025 heeft de minister de maatregel van bewaring opgeheven. De gemachtigde van eiser trok daarop op 18 februari 2025 het beroep in. De rechtbank oordeelde echter dat de gemachtigde niet bevoegd was het beroep in te trekken en dat eiser geen gronden had aangevoerd tegen het voortduren van de maatregel. De rechtbank zag ook ambtshalve geen reden om het voortduren van de bewaring tot 12 februari 2025 onrechtmatig te achten.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5501

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. T. Esen),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 18 november 2024.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 2 december 2024. [1]
De minister heeft de rechtbank op 5 februari 2025 van het voortduren van de maatregel van bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [2]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 12 februari 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
De minister heeft op 17 februari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De gemachtigde van eiser heeft op 18 februari 2025 het beroep tegen de kennisgeving over het voortduren van de maatregel van bewaring ingetrokken.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [3]
1.1.
Uit de uitspraak van 2 december 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 26 november 2024) rechtmatig is.
Beoordeling voortduren van de maatregel van bewaring
2. De rechtbank stelt vast dat de minister op 17 februari 2025 de maatregel van bewaring heeft opgeheven. De gemachtigde van eiser heeft op 18 februari 2025 aangegeven het beroep te willen intrekken. De rechtbank overweegt echter dat de gemachtigde van eiser niet bij rechte is om het beroep, dat voortvloeit uit de kennisgeving van de minister, in te trekken. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen grond voor het oordeel dat het voorduren van de bewaring op enig moment tot het sluiten van het onderzoek (op 12 februari 2025) onrechtmatig is te achten. [4]

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 2 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20655.
2.Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.