ECLI:NL:RBDHA:2025:26271

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 januari 2026
Zaaknummer
C/09/695641 / FA RK 25-9175
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van een cliënt met psychogeriatrische aandoeningen

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven inzake de voortzetting van de inbewaringstelling van een cliënt, geboren in 1951, die momenteel verblijft in een zorgaccommodatie. Het verzoek tot voortzetting is ingediend door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) op 5 december 2025, naar aanleiding van een eerdere beschikking van de burgemeester van 's-Gravenhage. De cliënt vertoont ernstige verwaarlozing en weigert zorg, wat leidt tot een bedreiging van haar gezondheid en hygiëne. Tijdens de zitting heeft de cliënt aangegeven niet langer in de accommodatie te willen verblijven, maar de rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoek tijdig is ingediend en dat de juridisch adviseur van het CIZ bevoegd was om het verzoekschrift in te dienen. De machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verleend voor de duur van zes weken, tot en met 21 januari 2026. De beschikking is gegeven door rechter H.D. Overbeek, bijgestaan door griffier L. Batenburg, en is uitgesproken ter openbare zitting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/695641 / FA RK 25-9175
Datum beschikking: 10 december 2025

Machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling

Beschikkingnaar aanleiding van het op 5 december 2025 door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[cliënt] ,
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats] ,
wonende te [plaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [accommodatie] , te [plaats] ,
advocaat: mr. A. Alam-Khan te Delft.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 5 december 2025.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de beschikking tot inbewaringstelling van de burgemeester van de gemeente ‘s-Gravenhage van 4 december 2025;
- de op 4 december 2025 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, M.V. Kassander, die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door mr. J.B. Peters, waarnemend voor de advocaat;
- de specialist ouderengeneeskunde, mevrouw [naam 1] ;
- de echtgenoot van cliënt, de heer [naam 2] .

Standpunten ter zitting

Cliënt heeft ter zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met haar. Zij wil dan ook niet langer in de accommodatie verblijven. De advocaat heeft ter zitting aangevoerd dat in het verzoekschrift een machtiging van de bestuursvoorzitter van het CIZ ontbreekt, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het verzoek door een daartoe bevoegde persoon is ingediend. Dit is een gebrek dat dient te worden hersteld. Voorts heeft de advocaat verzocht om afwijzing van het verzoek, nu cliënt niet wenst te zijn opgenomen. Indien de rechtbank van oordeel is dat het verzoek dient te worden toegewezen, dient de machtiging te worden bekort met een dag, nu het verzoekschrift een dag te laat is ingediend bij de rechtbank.
De specialist ouderengeneeskunde heeft aangegeven dat op dit moment 24-uurs zorg en toezicht noodzakelijk zijn. Bij cliënt is er sprake van veel onrust, waarbij het recent noodzakelijk was om medicatie onder dwang toe te dienen. Het is voor nu onduidelijk of er sprake is van een delier of van een vordering van de dementie. Cliënt is donderdagavond binnengekomen en had voorafgaand aan de opname alle thuiszorg geweigerd. Bij cliënt is er sprake van ernstige verwaarlozing, waaronder smetplekken, infecties en wonden. Ondanks dat zij onderzoek weigerde, is de antibiotica gestart wegens de medische noodzaak. Cliënt verzet zich tegen vrijwel iedere vorm van zorg en begeleiding. Het verzet uit zich in onder meer aan deuren trekken en veelvuldig rondlopen. Het is niet met zekerheid vast te stellen of dit verzet zich specifiek richt tegen de opname als zodanig, dan wel voortkomt uit het (mogelijk) aanwezige delier of de algehele onrusttoestand.

Beoordeling

Formele beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 37 lid 1 Wzd het CIZ is aangewezen als het orgaan dat een verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling kan indienen. De Hoge Raad heeft op 23 december 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1937) geoordeeld dat ingevolge artikel 7.1.1 lid 4 van de Wet langdurige zorg het CIZ hierbij wordt vertegenwoordigd door de voorzitter. Indien het verzoek van het CIZ niet door de voorzitter, maar door een medewerker van het CIZ wordt ingediend – zoals in dit geval door een juridisch adviseur –, dient deze medewerker daartoe bevoegd te zijn. Op de toedeling van bevoegdheden aan medewerkers van het CIZ is de Awb van toepassing. Dit brengt mee dat de bevoegdheid van een medewerker van het CIZ om een verzoekschrift op de voet van art. 37 Wzd in te dienen overeenkomstig afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht dient te zijn verleend.
Uit de artikelen 1.4. en 1.6. van Bijlage 5 ‘Aangelegenheden die op grond van artikel 7.1 specifiek gemandateerd zijn’, behorend bij de per 20 december 2024 aangepaste Mandaatregeling CIZ [1] , volgt dat de juridisch adviseur van het team ‘Wzd aanvullende taken’ bevoegd is om onder meer verzoekschriften in het kader van de Wzd in te dienen. Gebleken is dat het verzoekschrift van het CIZ is ondertekend door [naam 3] , Juridisch adviseur Wzd aanvullende zaken. Vanuit haar functie is deze persoon dan ook bevoegd om het verzoekschrift in te dienen. Een machtiging namens de bestuursvoorzitter is daarmee niet nodig.
Voorts bepaalt artikel 37 lid 1 Wzd dat een verzoek tot verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling moet zijn ingediend bij de rechtbank voordat de geldigheidsduur van de inbewaringstelling is verstreken. De beschikking tot inbewaringstelling is afgegeven op 4 december 2025 en heeft daarmee op grond van artikel 29 lid 4 Wzd een geldigheidsduur gehad tot en met 8 december. Het CIZ heeft vervolgens op 5 december 2025 het verzoekschrift ingediend. De rechtbank stelt daarmee vast dat het verzoekschrift van het CIZ tijdig is ingediend.
Gelet op het voorgaande, zullen de formele verweren van de advocaat worden gepasseerd.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel waardoor een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Het ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van cliënt als gevolg van een psychogeriatrische, te weten de ziekte van Alzheimer, dit ernstig nadeel veroorzaakt.
Het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting besproken is blijkt dat cliënt alle lichamelijke verzorging weigert van de thuiszorg en haar omgeving, waardoor zij zichzelf niet kan verschonen of wassen. Dit veroorzaakt ernstige vervuiling van de woning door de urine en ontlasting, wat de hygiëne en gezondheid van zowel cliënt als haar omgeving ernstig bedreigt. Eerder liet cliënt zorg door haar partner toe, maar sinds enkele weken houdt zij ook hem af vanwege achterdocht. Het steunsysteem is hierdoor fors overbelast geraakt wegens de achterdocht van cliënt richting haar omgeving.
Om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden is
voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk. Dit middel is ook geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden en er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf in een accommodatie. Zij heeft zowel voorafgaand aan de opname als ter zitting aangegeven niet opgenomen te willen zijn in een verpleeghuis.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een voortzetting van de inbewaringstelling. De machtiging zal worden verleend voor de duur van zes weken.

Beslissing

De rechtbank:
verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ten aanzien van:
[cliënt] ,
geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats] ,
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 21 januari 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.D. Overbeek, rechter, bijgestaan door L. Batenburg als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 december 2025.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 19 december 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Voetnoten

1.Mandaatregeling CIZ van 20 december 2024 (