ECLI:NL:RBDHA:2025:26205

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
AWB 24/1541 en AWB 23/13659
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.71 VbArt. 7:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 16 VwArt. 17 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering verblijfsvergunning zelfstandige wegens mvv-vereiste

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel arbeid als zelfstandige, welke door de minister is afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet vallen onder een vrijstellingscategorie.

Eiser voerde aan dat het mvv-vereiste hem onterecht werd tegengeworpen en dat zijn onderneming onevenredig zou worden getroffen indien hij voor het aanvragen van een mvv naar Suriname zou moeten terugkeren. Tevens stelde hij dat de minister ten onrechte niet had beoordeeld of hij duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. De rechtbank oordeelde dat de minister geen aanleiding had om bijzondere individuele omstandigheden aan te nemen die vrijstelling van het mvv-vereiste rechtvaardigen.

Daarnaast stelde eiser dat het mvv-vereiste in strijd is met Richtlijn 2011/98/EU, maar de rechtbank verwierp dit omdat de richtlijn ziet op arbeid in loondienst en niet op zelfstandigen.

Ten slotte voerde eiser aan dat de minister de hoorplicht had geschonden door hem niet te horen in de bezwaarfase, maar de rechtbank stelde vast dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en de minister daarom mocht afzien van horen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en veroordeelde eiser niet tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats [woonplaats]
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/1541 en AWB 23/13659
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 15 december 2025 in de zaken tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: drs. F.W. King),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Arbeid als zelfstandige’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Arbeid als zelfstandige’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 januari 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het onderhavige beroep. [1]
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [2] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Het bestreden besluit

3. De minister legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiser niet beschikt over een geldige mvv [3] die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor eiser een verblijfsvergunning heeft aangevraagd en dat eiser niet valt onder een van de categorieën vreemdelingen, die vrijgesteld kunnen worden van het mvv-vereiste. [4] Ook leidt toepassing van het mvv-vereiste volgens de minister niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. [5] De minister heeft eiser niet gehoord, omdat het bezwaar volgens de minister kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling mvv-vereiste
4.1.
Eiser voert aan dat het mvv-vereiste hem ten onrechte wordt tegengeworpen. Het is volgens eiser niet onaannemelijk dat zijn onderneming onevenredig zal worden getroffen indien hij terug moet naar Suriname voor het aanvragen van een mvv. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 maart 2019 [6] . Hierin heeft de Afdeling geoordeeld dat indien het voor de aanvrager onevenredig bezwarend is om naar het land van herkomst terug te keren voor het alsnog aanvragen van een mvv, ten gunste van de aanvrager moet worden meegewogen dat daarnaast aan alle materiële vereisten worden voldaan. Volgens eiser is dit het geval, daar hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij arbeid verricht als zelfstandige. In de branche waarin eiser arbeid verricht is het niet ongebruikelijk dat genoemde werkzaamheden als zelfstandige worden verricht. De minister heeft ten onrechte niet beoordeeld of eiser uit zijn werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van
29 maart 2019 [7] , zal een geslaagd beroep op de hardheidsclausule van artikel 3.71, derde lid, van het Vb zich voordoen indien eiser bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden aanvoert, die wellicht op zichzelf genomen niet voldoende zijn voor vrijstelling van het mvv-vereiste, maar in combinatie met de omstandigheid dat eiser aan alle materiële vereisten voldoet er wel toe kunnen leiden dat het verder zou gaan dan noodzakelijk is, indien de minister vast zou houden aan het mvv-vereiste.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om aan te nemen dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan eiser zou moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. De enkele stelling van eiser op zitting dat hij kostwinner is voor zijn gezin in Suriname en dat zijn onderneming door zijn afwezigheid in gevaar komt, waardoor hij zijn gezin niet meer financieel kan onderhouden, is daarvoor onvoldoende. Dit maakt niet dat er zich bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden voordoen waardoor het voor eiser erg bezwarend is om in Suriname een mvv aan te vragen. Naar het oordeel van de rechtbank was de minister dan ook niet gehouden om inhoudelijk door te toetsen of aan de materiële voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning zou zijn voldaan. De minister komt, op grond van de genoemde uitspraak van de Afdeling, namelijk pas toe aan de beoordeling of eiser daadwerkelijk aan de materiële vereisten voldoet indien wordt geconcludeerd dat het vasthouden aan het mvv-vereiste onevenredig bezwarend zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
5.1.
Verder voert eiser aan dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met artikel 3, onder a, van de Richtlijn 2011/98/EU [8] , nu hierin niet is gesteld dat een rechtssubject
eerst naar het land van herkomst dient te vertrekken om aan het mvv-vereiste te voldoen.
5.2.
De rechtbank volgt eiser hierin niet en is van oordeel dat het mvv-vereiste niet in strijd is met Richtlijn 2011/98/EU, omdat deze richtlijn niet ziet op het verrichten van arbeid als zelfstandige maar op de aanvraag van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid in loondienst. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
6.1.
Eiser voert vervolgens aan dat de minister hem in het kader van zijn bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord. Gelet op de stukken die eiser bij de aanvraag heeft overgelegd en de informatie die volgens de minister ontbrak, kon de minister er niet van afzien
eiser te horen.
6.2.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De minister heeft er terecht op gewezen dat in het primaire besluit is overwogen dat eiser niet in het bezit is van een mvv, noch is vrijgesteld van het mvv-vereiste en dat eiser daar in bezwaar geen gronden tegen heeft aangevoerd waardoor op voorhand vaststond dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. De minister heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en daarom op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in de bezwaarfase heeft mogen afzien. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Nu de rechtbank beslist op het beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek daartoe af. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zaak AWB 23/13659.
3.Machtiging tot voorlopig verblijf.
4.Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), artikel 17, eerste lid, van de Vw en artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
5.Artikel 3.71, derde lid, van het Vb.
8.Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.