ECLI:NL:RBDHA:2025:26204

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
NL24.42308 en NL24.42310
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.12 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 16 lid 3 Richtlijn 2004/38/EGRichtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag duurzaam verblijfsrecht voor Unieburger wegens onvoldoende aaneengesloten verblijf

Eiser, een Britse burger, heeft een aanvraag ingediend voor een document 'duurzaam verblijf burgers van de Unie'. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser niet kon aantonen dat hij vijf jaar onafgebroken en rechtmatig in Nederland had verbleven, zoals vereist volgens de Verblijfsrichtlijn 2004/38/EG.

Eiser voerde aan dat tijdelijke afwezigheden van maximaal zes maanden per jaar het ononderbroken karakter van het verblijf niet mogen aantasten. De rechtbank verwijst echter naar een eerdere uitspraak waarin is vastgesteld dat eiser in de periode dat hij niet in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven, zijn hoofdverblijf niet in Nederland had. Dit betekent dat hij niet voldeed aan de vereiste van onafgebroken verblijf.

Omdat eiser geen hoger beroep heeft ingesteld tegen die eerdere uitspraak, is deze in rechte vast komen te staan. De rechtbank concludeert daarom dat eiser geen duurzaam verblijfsrecht heeft opgebouwd en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van duurzaam verblijfsrecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.42308 en NL24.42310
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 11 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [1] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en zijn kantoorgenoot mr. A. el Yahiaoui, V. Bolt als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1965 en is Brits burger. Hij heeft in Nederland in
de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven gestaan van 26 augustus 2013 tot
25 januari 2018 en van 28 september 2020 tot heden. In de tussenliggende periode stond
eiser niet ingeschreven in de BRP.
3.2.
Met een besluit van 13 september 2021 heeft de minister eiser op grond van artikel 18 en Pro 19 van het Terugtrekkingsakkoord een verblijfsdocument voor het doel
‘Terugtrekkingsakkoord bepaalde tijd economisch niet actief’ verstrekt voor de duur van vijf jaar. Dit betekent dat eiser viel onder de verblijfsrechtelijke regels die gelden voor
Unieburgers. Met het besluit van 30 mei 2023 heeft de minister vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft gehad. Het bezwaar van eiser tegen dit besluit is ongegrond verklaard waarna ook het beroep hiertegen op 3 april 2024 door deze rechtbank ongegrond is verklaard. [2] Eiser heeft geen hoger beroep ingesteld.
3.3.
Op 17 april 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen omdat niet is gebleken dat eiser in het verleden vijf jaar onafgebroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven waardoor er geen sprake is (geweest) van rechtmatig duurzaam verblijf voor burgers van de Unie. De minister heeft daarom geconcludeerd dat niet is aangetoond dat eiser duurzaam verblijfsrecht in de zin van Richtlijn 2004/38/EG (hierna: de Verblijfsrichtlijn) heeft opgebouwd. Met het bestreden besluit is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
4. Eiser is het hier niet mee eens en voert aan dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat hij in de periode dat hij niet stond ingeschreven in de BRP zijn hoofdverblijf niet in Nederland had en daarom geen sprake is van een duurzaam verblijfsrecht. Hiervoor betoogt eiser dat uit de bewoording van artikel 16, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn [3] volgt dat het ononderbroken karakter van het verblijfsrecht niet wordt beïnvloed door tijdelijke fysieke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar.
5. De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgrond die eiser heeft aangevoerd gelijk is aan de grond die hij heeft aangevoerd in het beroep tegen het besluit van 30 mei 2023 waarin de minister heeft vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8.12 van het Vb heeft gehad. Deze grond is in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 3 april 2024, verworpen waarbij is geoordeeld dat kan worden aangenomen dat eiser in de periode dat hij niet in de BRP stond ingeschreven meerdere keren kortdurend in Nederland heeft verbleven, maar dit niet betekent dat hij hier zijn hoofdverblijf had. Eiser had dus niet gedurende vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland. Van een duurzaam verblijfsrecht is dan ook geen sprake.
6. Eiser heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 3 april 2024 waardoor deze in rechte vaststaat. De rechtbank ziet geen aanleiding thans anders te oordelen dan in de genoemde uitspraak van de zittingsplaats Rotterdam en verwijst naar de motivering in die uitspraak. Dit betekent dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een duurzaam verblijfsrecht in de zin van de Verblijfsrichtlijn heeft opgebouwd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is daarom ongegrond. Nu de rechtbank beslist op het beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek daartoe af. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL24.42310.
2.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 april 2024 met zittingsplaats Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2024:2751.
3.Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG.