ECLI:NL:RBDHA:2025:26203

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
NL25.61983
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke procedure met betrekking tot zicht op uitzetting en voortvarend handelen

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure tussen een eiser, met een V-nummer, en de minister van Asiel en Migratie als verweerder. De zaak betreft de maatregel van bewaring die op 8 juli 2025 aan de eiser is opgelegd op basis van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring op 18 december 2025 is opgeheven, en dat de beoordeling zich nu beperkt tot de vraag of de eiser recht heeft op schadevergoeding voor de periode waarin hij in bewaring heeft gezeten.

De rechtbank heeft overwogen dat de bewaring rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 3 oktober 2025, en dat de periode van belang voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring de tijd is tussen 3 oktober 2025 en 18 december 2025. De eiser heeft aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting is, omdat de Marokkaanse autoriteiten geen laissez-passer hebben afgegeven en er geen identificerende documenten zijn. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de eiser onvoldoende heeft bijgedragen aan zijn eigen uitzetting en dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld.

De rechtbank heeft ook geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die zouden rechtvaardigen dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. De rechtbank heeft de beroepsgrond van de eiser afgewezen en geconcludeerd dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep van de eiser is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier, en is openbaar gemaakt op 9 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61983

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 8 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 17 december 2025 de rechtbank van de voortduring van de maatregel van bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd en een verzoek om toekenning van schadevergoeding gedaan.
Verweerder heeft op 18 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 24 december 2025.

Overwegingen

Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 oktober 2025 (in de zaak NL25.47328) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 3 oktober 2025) tot aan de opheffing van de maatregel (op 18 december 2025).
Zicht op uitzetting
3. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting in zijn geval ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat hij inmiddels ruim vijf maanden in vreemdelingenbewaring zit en de Marokkaanse autoriteiten nog steeds geen laissez-passer (lp) hebben afgegeven en er geen presentatiedatum bekend is. Daarnaast beschikt eiser niet over enig identificerend document. De kans dat de Marokkaanse autoriteiten voor eiser een lp zullen afgegeven is dus erg klein. Verder verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:698), waaruit volgt dat verweerder met concrete aanknopingspunten moet komen waaruit volgt dat eiser kan worden uitgezet naar Marokko.
4. De rechtbank merkt op dat deze grond eerder is aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 10 oktober 2025. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar de rechtsoverwegingen 3.1. en 3.2. van deze uitspraak. De rechtbank merkt daarnaast op dat het feit dat de maatregel van bewaring na een belangenafweging op 18 december 2025 is opgeheven, niet maakt dat zicht op uitzetting in de toetsen periode is komen te ontbreken. Hierbij betrekt de rechtbank dat de Marokkaanse autoriteiten niet kenbaar hebben gemaakt geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. De rechtbank betrekt daarnaast dat op eiser de plicht rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Uit het rechtbankdossier blijkt dat eiser hieraan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende invulling heeft gegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
5. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat verweerder sinds het laatste beroep slechts vier maal heeft gerappelleerd en slechts twee vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Daarnaast had verweerder het dossier van eiser extra onder de aandacht moeten brengen bij de Marokkaanse autoriteiten.
6. Uit de voortgangsrapportage van 18 december 2025 blijkt dat verweerder in de te toetsen periode op 16 oktober 2025, 6 november 2025, 27 november 2025 en 17 december 2025 bij de Marokkaanse autoriteiten heeft gerappelleerd ten aanzien van de openstaande lp-aanvraag. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder op 21 november 2025 en 15 december 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. In tegenstelling tot hetgeen eiser heeft betoogd, heeft verweerder hiermee naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder bij de Marokkaanse autoriteiten extra aandacht had moeten vragen voor de lp-aanvraag die namens eiser is ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser betoogt dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan.
8. De rechtbank merkt op dat in voornoemde uitspraak van 10 oktober 2025 en in de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:14984) is geoordeeld dat verweerder niet hoefde over te gaan tot het opleggen van een lichter middel. Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, waardoor verweerder (vóór de opheffing van de maatregel op 18 december 2025) had moeten overgaan tot het opleggen van een lichter middel.
9. Voor wat betreft de vraag of verweerder eerder dan 18 december 2025 een belangenafweging had moeten maken overweegt de rechtbank als volgt. De bewaringsmaatregel is opgelegd op 8 juli 2025 en is op 18 december 2025 opgeheven, wat betekent dat eiser iets langer dan vijf maanden in bewaring heeft gezeten. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij de voortduring van de bewaring dan aan de belangen van de vreemdeling bij zijn invrijheidstelling. Niettemin kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zesmaandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in eisers geval niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.