ECLI:NL:RBDHA:2025:25996

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
NL25.43828
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de asielaanvraag van een Angolese minderjarige in Nederland

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 15 december 2025, wordt het beroep van een Angolese minderjarige eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie, die op 8 september 2025 werd gedaan, onvoldoende gemotiveerd is. Eiser, geboren in 2008, heeft asiel aangevraagd op basis van de vrees voor vervolging door de Angolese autoriteiten, naar aanleiding van bedreigingen aan het adres van zijn stiefmoeder. De rechtbank stelt vast dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke achtergrond van eiser en de relevante landeninformatie niet adequaat heeft betrokken in de beoordeling van de asielmotieven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen, waarbij de eerder geconstateerde gebreken in acht worden genomen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van asielaanvragen, vooral bij minderjarigen, en de noodzaak om alle relevante omstandigheden in overweging te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43828

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-numnmer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 8 september 2025 de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
1.1
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan bij zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Kyzer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2008 en heeft de Angolese nationaliteit. Hij heeft op 2 november 2024 asiel aangevraagd in Nederland.
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Zijn stiefmoeder heeft halverwege 2024 gezegd dat de politie haar en haar medebewoners wilde vermoorden. Eiser was haar enige medebewoner. Daarom denkt eiser dat de politie in Angola hem wil vermoorden en is hij gevlucht.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. De stiefmoeder van eiser wordt gezocht door de Angolese politie.
4.1.
Verweerder acht het eerste relevante element geloofwaardig. Het tweede element is niet beoordeeld door verweerder.
4.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen vrees voor vervolging heeft. De geloofwaardig geachte asielmotieven zijn namelijk niet te herleiden tot een van de gronden van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) en het beoordelen van de geloofwaardigheid zal eiser daarom niet in een gunstigere positie brengen. Verweerder zich verder op het standpunt gesteld dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw. Daartoe overweegt verweerder dat het feit dat eiser uit Angola komt, niet voldoende is om dit aan te nemen. Uit de verklaringen van eiser volgt niet dat hij zelf een risico loopt en, indien nodig, geen bescherming in kan roepen van de autoriteiten. Eiser heeft verklaard dat hij niet weet of hij in Angola gezocht wordt en heeft niet kunnen onderbouwen dat zijn stiefmoeder gezocht wordt.
4.3.
Ook komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV). De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) doet nader onderzoek naar adequate opvang in Angola, aangezien er geen landenbeleid is voor Angola. Het onderzoek door verweerder zal in beginsel een jaar duren vanaf de datum van het asielbesluit en wordt in ieder geval gestopt wanneer eiser 18 jaar wordt of wanneer er voldoende informatie is ten aanzien van adequate opvang of het ontbreken daarvan. Op dit moment heeft eiser rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw en is er geen terugkeerbesluit aan eiser opgelegd.
Gronden van beroep
5. Volgens eiser heeft verweerder de asielaanvraag ten onrechte afgewezen. Daartoe voert hij aan dat verweerder het beleid zoals neergelegd in IB 2022/102 niet goed heeft toegepast. De persoonlijke achtergrond, herkomst en sociale omgeving van eiser zijn door verweerder onvoldoende betrokken en er is geen landeninformatie gebruikt. Eiser is minderjarig en van hem kan niet verwacht dat hij op de hoogte is van de achtergrond van de problemen van zijn stiefmoeder. Doordat verweerder de geloofwaardigheid in het midden heeft gelaten moet de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de zwaarwegendheid worden aangenomen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar overwegingen 8.1-8.2 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333. Eiser heeft verklaard dat hij vreest zelf vermoord te worden door de Angolese autoriteiten, en ook dat zijn vader, die politieman was, door collega’s is vermoord. Dit is door verweerder niet betrokken bij de beoordeling, terwijl een moord op een eerstelijns familielid wel van belang kan zijn bij de vraag of eiser gevaar loopt. Ook lijkt het alsof verweerder de geloofwaardigheid impliciet heeft beoordeeld met de opmerking dat eiser niet wordt gezocht en niet heeft kunnen onderbouwen dat zijn stiefmoeder daadwerkelijk wordt gezocht. Eiser kan niet worden tegengeworpen dat hij bescherming kan vragen van de Angolese autoriteiten, hij vreest namelijk voor de Angolese autoriteiten en dit kan niet van een minderjarige worden verwacht. Verder doet een zaak zoals beschreven staat in IB 2022/102 zich hier niet voor. De asielmotieven zijn namelijk asielgerelateerd en eiser kan niet de bescherming van de autoriteiten inroepen. Tot slot voert eiser aan dat besluit om eiser geen buitenschuldvergunning AMV’s toe te kennen prematuur is omdat het onderzoek naar adequate opvang nog moet plaatsvinden.
Beoordeling door de rechtbank
IB 2022/102
6. Naar het oordeel van de rechtbank is de werkwijze die verweerder heeft toegepast, waarbij de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden wordt gelaten, op zichzelf niet in strijd met het Unierechtelijke beoordelingskader. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333 en ECLI:NL:RVS:2022:2334. Ook is het niet zo dat deze zaak zich per definitie niet leent voor deze werkwijze, omdat in IB 2022/102 geen limitatieve opsomming staat van het type zaken dat hiervoor in aanmerking komt. Naar het oordeel van de rechtbank stelt eiser echter terecht dat verweerder in dit geval onvoldoende (kenbaar) rekening heeft gehouden met het toetsingskader dat volgt uit de Afdelingsuitspraken van 17 augustus 2022 en het daaruit voortvloeiende beleid dat is neergelegd in IB 2022/102.
6.1.
Dit beleid houdt in dat verweerder de geloofwaardigheid van asielmotieven in het midden kan laten wanneer op voorhand duidelijk is dat verklaringen, wanneer geloofwaardig, niet zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging (zie paragraaf C1/4.1 en C1/4.4 van de Vc en IB 2022/102). Alle verklaringen van de vreemdeling moeten dan als uitgangspunt genomen worden voor de beoordeling van de zwaarwegendheid. Het is niet mogelijk de geloofwaardigheid van slechts een deel van de verklaringen in het midden te laten. Daarbij moet verweerder concreet motiveren op grond waarvan wordt geoordeeld dat de problemen niet ernstig genoeg zijn om in aanmerking te komen voor bescherming of dat de vreemdeling bescherming kan inroepen in zijn land van herkomst. Als het gaat om dat laatste, moet aan de hand van actuele landeninformatie worden gemotiveerd dat er bescherming mogelijk is voor het specifieke probleem van de vreemdeling. Dit is een individuele beoordeling waarbij moet worden ingegaan op de omstandigheden van de vreemdeling en waarbij recente informatie over het land van herkomst moet worden betrokken. Verweerder moet daarbij rekening houden met de persoonlijke achtergrond, herkomst en sociale omgeving van de vreemdeling.
6.2.
Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat hij bang is dat de politie hem zal vermoorden als hij terug zou keren naar zijn land (p. 6). Hij heeft gesteld dat zijn stiefmoeder hem heeft verteld dat de politie haar bedreigde en dat ze de bewoners van het huis – en dus ook eiser als enige medebewoner – zouden vermoorden (p. 6). Waarom dat zo was, wist hij niet en had hij niet aan zijn stiefmoeder gevraagd (p. 14). Ook heeft hij niet gevraagd waarom ze ook hem zouden kunnen vermoorden (p. 26) en weet hij dit zelf ook niet (p. 27). Het asielrelaas is ook min of meer op deze manier samengevat op pagina 32 van het gehoor.
6.3.
Verweerder stelt in het bestreden besluit dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer omdat hij heeft verklaard dat hij niet weet of hij gezocht wordt in Angola en ook niet heeft kunnen onderbouwen dat zijn stiefmoeder daadwerkelijk gezocht wordt of problemen heeft. Ook heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij geen bescherming van de autoriteiten in Angola kan inroepen en ziet wat eiser heeft verklaard volgens verweerder niet op hem persoonlijk, maar op zijn stiefmoeder.
6.4
Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eisers problemen onvoldoende ernstig zijn, vindt de rechtbank dat dit niet goed is gemotiveerd in het licht van de hiervoor genoemde uitgangspunten van IB 2022/102. Verweerder had niet alsnog ongeloofwaardig mogen vinden dat eisers stiefmoeder wordt gezocht of problemen heeft en had eiser in dit kader al helemaal geen gebrek aan onderbouwing mogen tegenwerpen. Ook heeft verweerder eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij zelf niet wordt gezocht door de politie maar alleen zijn stiefmoeder. Deze tegenwerpingen staan namelijk haaks op de door de Afdeling gestelde voorwaarde dat alle verklaringen van eiser als uitgangspunt moeten worden genomen voor de zwaarwegendheidsbeoordeling. Het is niet mogelijk om de geloofwaardigheid van slechts een deel van de verklaringen in het midden te laten.
6.5
Door zonder onderbouwing te stellen dat het mogelijk is voor eiser om de bescherming van de Angolese autoriteiten in te roepen, heeft verweerder ook dit punt onvoldoende concreet gemotiveerd. Dit klemt te meer nu eiser juist stelt dat hij door de Angolese politie wordt gezocht en dit tot uitgangspunt moet worden genomen. Het lag in zo’n geval op de weg van verweerder om aan de hand van landeninformatie zijn stelling (ingenomen op de zitting) te motiveren dat eiser wel de bescherming van de hógere autoriteiten kan inroepen.
6.6
Overkoepelend geldt verder dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met eisers persoonlijke achtergrond, herkomst en sociale omgeving. Verweerder had in dit kader in ieder geval moeten ingaan op eisers minderjarigheid.
6.7.
De beroepsgrond slaagt.
Verblijfsvergunning regulier buitenschuldbeleid AMV
7. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat het besluit om hem geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen te geven prematuur is genomen omdat er nog geen onderzoek is gedaan naar adequate opvang, is de rechtbank van oordeel dat eiser op dit moment niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuld beleid. Er wordt op dit moment door DT&V nader onderzoek verricht naar adequate opvang in Angola. Verweerder zal hierna beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuld beleid voor AMV. Gedurende het onderzoek heeft eiser rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, eerste lid, onder f, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft in het bestreden besluit en in het voornemen te kennen gegeven dat het verdere onderzoek naar adequate opvang in beginsel een jaar zal duren vanaf de datum van het asielbesluit. Die termijn is nog niet verstreken. De rechtbank ziet in deze omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit over de verblijfsvergunning regulier prematuur is genomen.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
9. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat er meerdere manieren zijn om de gebreken te herstellen en het aan verweerder is om hierin een keuze te maken. IB 2022/102 laat nadrukkelijk de mogelijkheid open om alsnog een geloofwaardigheidsbeoordeling te maken. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, nu niet valt in te zien dat eiser op die manier eerder uitsluitsel zal krijgen in zijn zaak dan als verweerder de opdracht wordt gegeven een nieuwe beslissing op de asielaanvraag te nemen.
10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.