Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:25989

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
NL25.18934 en NL25.18935
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.30 VreemdelingenbesluitArt. 3.20a VreemdelingenbesluitArt. 7:3 Algemene wet bestuursrechtArt. 8 EVRMArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens onvoldoende onderbouwing wezenlijk Nederlands belang

Eiseres, een Kameroense nationaliteit houdende vrouw, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit, waaronder onvoldoende ondernemerschapservaring, een summier ondernemingsplan, het niet voldoen aan de inkomenseis en het ontbreken van het vereiste taalniveau.

Eiseres voerde aan dat de minister prematuur had beslist en dat zij aanvullende stukken wilde overleggen, dat zij onterecht werd beoordeeld op inkomenseis en ondernemerschapservaring, en dat zij ten onrechte niet was gehoord. De rechtbank oordeelde dat eiseres voldoende gelegenheid had gehad om haar aanvraag te onderbouwen en dat de minister terecht had afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing van de persoonlijke ervaring, het ondernemingsplan en het innovatieve karakter van de onderneming.

Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat dit niet eerder was aangevoerd en niet relevant was voor de besluitvorming. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de bodemzaak was beslist. De rechtbank wees het beroep af en liet de afwijzing van de aanvraag in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.18934 en NL25.18935
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres],V-nummer: [v-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. A. Alam-Khan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door de waarnemer van eiseres gemachtigde mr. E.S.O. Adomako en J.E. Hynd als tolk. Verweerder is, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Kameroense nationaliteit. Eiseres was in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. Deze verblijfsvergunning was geldig van 1 december 2023 tot 1 december 2024. Op 28 november 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Volgens verweerder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat met haar arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Volgens verweerder is onder andere het overgelegde ondernemingsplan inhoudelijk summier. Verder heeft eiseres onvoldoende ondernemerschapervaring en heeft zij niet voldaan aan de inkomenseis van het puntensysteem. Daarnaast beheerst eiseres ook de Nederlandse taal niet op B2-niveau. Eiseres heeft onvoldoende stukken overgelegd waardoor het voorleggen van haar aanvraag aan de minister van Economische Zaken en Klimaat (hierna: de minister van EZK) zinledig was. Tot slot stelt verweerder dat van horen in bezwaar kon worden afgezien.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres voert aan dat verweerder prematuur op de aanvraag heeft beslist, omdat zij nog aanvullende stukken wilde overleggen en haar om die reden een herstelverzuim had moeten worden geboden. Verweerder heeft ten onrechte de inkomenseis tegengeworpen nu eiseres in Nederland heeft gestudeerd en een zoekjaar heeft gehad, waardoor zij hier niet aan kon voldoen. Verweerder kan ook niet tegenwerpen dat ondernemingservaring vereist is, omdat deze in de praktijk tijdens het ondernemerschap wordt opgedaan. Eiseres heeft bovendien haar ondernemerschapservaring aangetoond. Zij is in het bezit van een Nederlands taalcertificaat en is voornemens het taalniveau B2 te behalen. Ten onrechte heeft verweerder haar aanvraag ter advisering niet voorgelegd aan de minister van EZK. Verder stelt eiseres dat zij ten onrechte niet is gehoord, waardoor zij geen volledig ondernemingsplan heeft kunnen overleggen.
Wat is het toetsingskader?
5. Aan een vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend als daarmee een wezenlijk Nederlands belang is gediend. [1] Verweerder bepaalt of daar sprake van is en daarbij moet hij gebruik maken van een puntenstelsel. [2] Het puntenstelsel [3] omvat drie criteria:
persoonlijke ervaring;
ondernemingsplan en
toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie.
5.1
Met de arbeid als zelfstandige is een wezenlijk Nederlands belang gediend indien aan de vreemdeling met toepassing van het puntenstelsel ten minste 30 punten worden toegekend voor elk van de drie criteria.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De beroepsgrond van eiseres, waarin zij stelt dat verweerder prematuur op de aanvraag heeft beslist, omdat zij nog nadere stukken zou kunnen overleggen en haar daarom een herstelverzuim had moeten worden geboden, slaagt niet. De rechtbank overweegt dat het aan eiseres is om haar aanvraag met de nodige stukken te onderbouwen en aannemelijk te maken dat zij aan het vereiste van een onderneming met een wezenlijk Nederlands belang voldoet. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [4] volgt dat verweerder van eiseres mag verwachten dat zij haar aanvraag onderbouwt volgens de vereisten die in het beleid zijn gesteld. [5] Verweerder heeft er op mogen wijzen dat eiseres vanaf het moment van indiening van de aanvraag tot en met de bezwaarprocedure meerdere mogelijkheden heeft gehad om de ontbrekende documenten te overleggen, maar eiseres dit zelf heeft nagelaten. Zo is reeds in het aanvraagformulier vermeld welke bewijsstukken moeten worden toegevoegd om de aanvraag te onderbouwen. De stelling van eiseres dat zij niet in de gelegenheid is gesteld de relevante informatie aan te leveren volgt de rechtbank dan ook niet.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de onderbouwing van de aanvraag van eiseres op een aantal punten onvoldoende is. Verweerder heeft in de besluiten van 18 februari 2025 en 1 april 2025 duidelijk omschreven om welke punten het gaat. Kort gezegd gaat het om de onderbouwing van de persoonlijke ervaring, het ondernemingsplan en het innovatieve karakter van de onderneming. Ook tijdens de bezwaarprocedure heeft eiseres de ontbrekende onderbouwing niet overgelegd, waardoor er ook op dat moment geen verplichting ontstond om de aanvraag van eiseres door te zenden naar de minister van EZK. De door eiseres in beroep overgelegde aanvullende stukken maakt het oordeel van de rechtbank niet anders gelet op de ex tunc-toetsing in reguliere zaken. Bovendien is met die stukken nog niet de onderbouwing gegeven die nodig is.
8. Ten aanzien van het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar geldt dat verweerder daarvan kan afzien indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit. [6] Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de gronden van bezwaar geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat een hoorzitting tot een ander standpunt zou kunnen leiden. Er zijn in bezwaar ook geen stukken overgelegd zodat op voorhand duidelijk was dat nog steeds niet aan de voorwaarden werd voldaan. Een hoorzitting had daarom niet tot een ander besluit kunnen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verweerder daarom ervan kunnen afzien eiseres te horen.
9.Tot slot heeft eiseres in de aanvullende gronden van beroep voor het eerst een beroep gedaan op artikel 8 van Pro het EVRM [7] . Gelet op het feit dat eiseres in de aanvraag en in bezwaar niets heeft aangevoerd over privéleven, was verweerder niet gehouden om dit (ambtshalve) bij de besluitvorming te betrekken. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing in stand blijft.
11.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [8] .
12. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond;
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri Shirazi, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.
2.Zie artikel 3.30, tweede lid, van het Vb.
3.Opgenomen in artikel 3.20a, eerste lid, in samenhang met bijlage 8a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000).
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1326.
5.Opgenomen in artikel 3.20a, eerste lid, in samenhang met bijlage 8a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000).
6.Zie artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.