Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als kennismigrant in de functie van projectleider bij een Nederlands bedrijf. De aanvraag werd afgewezen omdat het geboden salaris niet marktconform was en eiser niet beschikte over de vereiste kwalificaties. Na bezwaar en een advies van het UWV bleef de afwijzing in stand.
De rechtbank oordeelt dat het standpunt van verweerder over de beheersing van de Nederlandse taal is ingetrokken, wat leidt tot een motiveringsgebrek in het besluit. Hierdoor is het beroep gegrond en wordt het besluit vernietigd. Echter, de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het salaris niet marktconform is en eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij over de benodigde kwalificaties en vaardigheden beschikt.
Eiser wordt vrijgesteld van griffierecht en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De uitspraak bevestigt dat het loon en de kwalificaties essentieel zijn voor toelating als kennismigrant en dat een motiveringsgebrek niet automatisch leidt tot toewijzing van de vergunning.