ECLI:NL:RBDHA:2025:25955
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument op grond van het Terugtrekkingsakkoord wegens te late indiening
Eiseres, een Britse staatsburger, diende op 16 januari 2024 een aanvraag in voor een verblijfsdocument op grond van het Terugtrekkingsakkoord, bedoeld voor Britse staatsburgers die vóór 1 januari 2021 in Nederland woonden. De minister wees deze aanvraag op 19 maart 2024 af wegens te late indiening zonder verschoonbare reden. Het bezwaar van eiseres werd op 9 september 2024 eveneens ongegrond verklaard.
Eiseres stelde in beroep dat de minister ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro had moeten verlenen vanwege haar privéleven in Nederland, maar zij had in bezwaar geen beroep op dit artikel gedaan. De rechtbank oordeelde dat de minister niet verplicht was tot ambtshalve verlening en dat eiseres onvoldoende omstandigheden had aangevoerd om dit te rechtvaardigen.
Verder voerde eiseres aan dat de minister op grond van de Terugkeerrichtlijn ambtshalve had moeten toetsen op humanitaire gronden, maar de rechtbank stelde vast dat de richtlijn geen verplichting tot verblijf voor schrijnende gevallen bevat. Ook het verzoek om haar te horen in bezwaar werd afgewezen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de afwijzing van de aanvraag en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.