ECLI:NL:RBDHA:2025:25756

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
09/044059-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van verdachte wegens aanranding van minderjarige

Op 14 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van aanranding van een vijftienjarig meisje. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. De feiten zijn als volgt: op 4 mei 2024 heeft de verdachte het slachtoffer aangerand door meermalen in haar borsten te knijpen, over haar arm en buik te aaien, en zijn hand op haar bovenbeen te leggen en naar de binnenkant van haar been te bewegen. Ondanks de ontkenning van de verdachte, heeft de rechtbank voldoende bewijs gevonden in de verklaringen van het slachtoffer en haar moeder, alsook in WhatsApp-berichten van de verdachte waarin hij excuses aanbiedt. De rechtbank heeft de ontkennende houding van de verdachte en de kwetsbaarheid van het slachtoffer meegewogen in de strafmaat. De vordering van de benadeelde partij, bestaande uit materiële en immateriële schade, is volledig toegewezen, inclusief wettelijke rente. De rechtbank heeft de ernst van de feiten en de impact op het slachtoffer zwaar laten meewegen in de uitspraak.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/044059-25
Datum uitspraak: 14 november 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige kamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1995 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is ter zitting van de politierechter in deze rechtbank op 14 juli 2025 verwezen naar de meervoudige kamer. Het onderzoek door de meervoudige kamer is gehouden op de terechtzitting van 31 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Kortekaas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.G.M. van den Hoogen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 mei 2024 te Woudenberg,
met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009, die toen de leeftijd van zestien
jaren nog niet had bereikt,
buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (meermalen)
- betasten van/aaien over en/of knijpen in de borst(en) van die [slachtoffer] ,
- aaien over de arm en/of buik van die [slachtoffer] en/of
- betasten van, athans het leggen van zijn hand op, het bovenbeen van die [slachtoffer]
en/of (vervolgens) het bewegen van die hand naar de binnenkant van het been van
die [slachtoffer] .

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024400699, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 114).
1.Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, opgemaakt op 5 mei 2024, voor zover inhoudende (p. 5-6):
Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , verklaren het
volgende:
Informatief gesprek met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009.
Wat is er gebeurd:
Deze zomer hebben [slachtoffer] en haar gezin voor het tweede jaar een seizoensplek op camping [bedrijfsnaam] in Woudenberg. Dit seizoen staan [verdachte] en zijn gezin ook voor het eerst op de camping in Woudenberg.
Op 4 mei 2024 ging [slachtoffer] weer spelen met de kinderen van [verdachte] en [naam] . [verdachte] moest zijn kleine auto omwisselen op de parkeerplaats van de camping voor zijn grote auto. Voor het omwisselen vroeg [verdachte] aan [slachtoffer] of ze mee wilde. Ze gingen vervolgens in de andere auto zitten. [verdachte] vroeg toen ineens of [slachtoffer] bij hem op schoot wilde zitten. [verdachte] reed om de parkeerplaats heen en [slachtoffer] moest sturen. Ondertussen aaide hij haar over haar arm en ging vervolgens iets naar boven. Hij aaide haar over haar borst en kneep er vervolgens 4 of 5 keer in. Met zijn andere hand lag hij op het bovenbeen van [slachtoffer] . Hij ging naar de binnenkant van haar been met zijn hand.
Vervolgens liepen ze samen naar de caravan. Ze is toen snel naar haar eigen
caravan gefietst. Daar deed ze gek en paniekerig. Haar ouders vroegen wat er was en toen moest [slachtoffer] huilen en heeft ze alles verteld.
Korte tijd later kreeg [slachtoffer] een app van [verdachte] . Dit ging over haar oorbellen.
O: Verbalisant typt het gesprek over vanuit de telefoon van [slachtoffer] .
[slachtoffer] :
Ik heb nu geen tijd ik kom ze vanavond wel halen laat ze maar op de tafel buiten liggen (15:02)
[verdachte] :
Oke verder als oke (15:15)
Heb ik iets verkeerds gedaan (15:56)
2.Het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] , opgemaakt op 8 mei 2024, voor zover inhoudende (p. 10-13):
V: Namens wie doe je aangifte?
A: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009.
V: Wanneer is het gebeurd?
A: Zaterdag 4 mei 2024.
V: Waar is het gebeurd?
A: Op de parkeerplaats en de weg van de camping [bedrijfsnaam] te Woudenberg.
V: Vertel eens alles over wat er gebeurd is?
A: [slachtoffer] kwam hard op de tent af fietsen. Ze komt naar binnen stormen. Ze ruikt etenslucht en trekt de deksel van de Cadac open. Ze vroeg: ben je ei aan het bakken ofzo? Ik vond het een beetje een rare opmerking. Ze wachtte niet op het antwoord, en rende door naar de caravan. Ze kwam naast mij zitten en zei: “Mama, ik moet even wat zeggen.” Aan haar toon en lichaamstaal dacht ik… tuurlijk… Ik zei: “We roepen papa erbij”. Ze zei: “Iemand heeft mijn borsten aangeraakt.” Ze moest op schoot komen zitten bij [verdachte] . Dat voelde raar, het voelde niet goed maar ze durfde niet te weigeren. Toen zijn ze gaan rijden. Hij ging eerst over haar rechter arm raar aaien, zo zei [slachtoffer] dat. Toen over haar been heen, maar niet over haar kruis. Het voelde niet goed zei ze. In die rit heeft hij over haar been en arm raar geaaid. Hij deed ook zijn hand op haar borst. Hij kneep ook in haar borst. Ik weet nog dat ik toen zei: "Heeft hij dat één keer gedaan?" Toen zei ze: "Nee ik denk wel vier of vijf keer." Tijdens dat [slachtoffer] haar verhaal aan het vertellen was in de caravan, ik zat schuin naast haar, legde ik van een afstandje mijn hand op haar been. Ik zag dat ze stil viel en verstijfde. Ik hoorde haar zeggen: "Dat wil ik dus niet." Ik wilde haar een knuffel geven, maar dat wilde ze niet.
3.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 mei 2024,voor zover inhoudende (p. 20):Ik, verbalisant [verbalisant 2] , verklaar het volgende:
Op 9 mei 2024 belde mevrouw [naam 2] , moeder van slachtoffer [slachtoffer] , mij. Ze vertelde me dat [verdachte] vandaag 9 mei om 13:50 uur zijn excuses had aangeboden in een whatsappberichtje naar hun dochter [slachtoffer] .
[naam 2] mailde mij vervolgens een e-mail met als bijlage een printscreen van het whatsappje. Op de afbeelding van de printscreen zag ik dat [slachtoffer] van [verdachte] een whatsappberichtje had ontvangen met onderstaande tekst:
"wil bij deze mijn excuses maken
Sorry voor wat er is gebeurd dit zou ook het laatste zijn wat je van me krijgt heb je
nummer verwijderen en het beste
Nogmaals sorry".
3.4.
Bewijsoverwegingen
Bewijs in zedenzaken
Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (gestelde) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Veelal is het ook zo dat de (belastende) verklaring van het vermeende slachtoffer lijnrecht tegenover de (ontkennende) verklaring van de verdachte staat. Getuigen van de gebeurtenissen zijn er vaak niet. Ook in deze zaak is dit het geval.
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is het de rechter niet toegestaan om het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Onderdelen van het ten laste gelegde feit kunnen echter wel op grond van de enkele verklaring van de aangever worden bewezen, indien de verklaring van de aangever op specifieke punten door de inhoud van ander bewijsmateriaal wordt bevestigd. Dit zogeheten steunbewijs moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van de aangever. Daarnaast is van belang dat uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting, de rechter onverminderd de overtuiging moet krijgen dat het feit is gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
De verklaring van [slachtoffer] is betrouwbaar
Het voorgaande betekent dat – omdat de verdachte ontkent dat de handelingen zijn gepleegd en er geen getuigen van het incident zijn – de rechtbank eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] moet beoordelen en daarnaast moet bepalen of voor haar verklaring voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] concreet, gedetailleerd en consistent heeft verklaard over wat er is gebeurd toen zij met de verdachte in de auto zat. [slachtoffer] heeft de dag van het incident zelf, direct nadat zij met de verdachte samen was geweest, uit eigen beweging tegen haar moeder en haar vader verklaard over wat er was gebeurd. Voorts heeft zij de dag erna, op 5 mei 2024, een op hoofdlijnen gelijkluidende verklaring afgelegd bij de politie. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de verklaring van [slachtoffer] niet betrouwbaar zou zijn. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] dan ook voldoende betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs.
Voor de verklaring van [slachtoffer] is voldoende steunbewijs aanwezig
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of er voor de verklaring van [slachtoffer] steunbewijs voorhanden is. De rechtbank ziet in het dossier twee bewijsmiddelen die de verklaring van [slachtoffer] ondersteunen en die uit een andere bron dan haar eigen verklaring afkomstig zijn.
Uit de verklaring van de moeder van [slachtoffer] volgt dat [slachtoffer] zich nadat zij terugkeerde van de verdachte anders dan normaal gedroeg. Zij kwam hard aanfietsen, stormde de tent binnen, stelde een opmerkelijke vraag over het eten en zei haar moeder vervolgens dat zij iets moest vertellen. Haar moeder heeft verklaard dat de toon en lichaamshouding van [slachtoffer] daarbij opvielen en dat zij direct [slachtoffer] "s vader erbij heeft geroepen. Daarna heeft [slachtoffer] direct gedetailleerd aan haar ouders verteld wat er met haar gebeurd was. Zij heeft haar ouders verteld dat de verdachte over haar arm en been heeft geaaid en dat hij haar vier tot vijf keer in haar borst heeft geknepen. [slachtoffer] "s moeder heeft verklaard dat [slachtoffer] stil viel en verstijfde toen haar moeder een hand op haar been legde. [slachtoffer] zei dat ze dat niet wilde. Zij wilde ook geen knuffel van haar moeder. Deze reactie op de fysieke aanraking van haar moeder steunen de verklaring van [slachtoffer] dat zij ongewild is aangeraakt door de verdachte, onder meer op haar been.
Voorts bevinden zich in het dossier screenshots van WhatsAppberichten die door de verdachte aan [slachtoffer] zijn gestuurd, zowel op de dag van het tenlastegelegde als een aantal dagen later. In de berichten op de dag van het incident heeft de verdachte gevraagd of hij iets verkeerds heeft gedaan, gevolgd door een blozende emoji. Enkele dagen later bood de verdachte na een bericht van de ouders van [slachtoffer] zijn excuses aan “voor wat er is gebeurd” en zegde hij toe het nummer van [slachtoffer] te verwijderen. De rechtbank ziet in deze berichten een ondersteuning van de verklaring van [slachtoffer] : er was iets ernstigs gebeurd, de verdachte wist dat, hij besefte dat excuses gemaakt moesten worden en hij begreep dat hij vanwege het gebeurde geen contact meer met [slachtoffer] mocht hebben.
Conclusie
De combinatie van de betrouwbare verklaring van [slachtoffer] en het aanwezige steunbewijs brengen de rechtbank tot de conclusie dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 4 mei 2024 te Woudenberg, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt,
meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (meermalen)
- betasten van/aaien over en knijpen in de borst(en) van die [slachtoffer] ,
- aaien over de arm en buik van die [slachtoffer] en
- betasten van,
althanshet leggen van zijn hand op, het bovenbeen van die [slachtoffer]
en (vervolgens) het bewegen van die hand naar de binnenkant van het been van
die [slachtoffer] .
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met betrekking tot het slachtoffer.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om bij oplegging van straf rekening te houden met het feit dat de verdachte door deze zaak in spanning heeft gezeten.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft ontucht gepleegd met het minderjarige slachtoffer door over haar arm en been te aaien en meermaals in haar borst te knijpen. Dit heeft hij gedaan op een moment dat zij niet weg kon, namelijk toen zij op zijn schoot zat achter het stuur in een rijdende auto. Het slachtoffer was op dat moment slechts vijftien jaar oud. Het slachtoffer kwam – voordat het strafbare feit gepleegd werd – jarenlang bij de verdachte en zijn gezin over de vloer en zag de verdachte als een vaderfiguur. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem had. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Het is een feit van algemene bekendheid dat (jonge) slachtoffers van zedenfeiten daarvan langdurige en ernstige emotionele schade kunnen ondervinden, en dat dergelijke feiten een (verdere) normale en gezonde seksuele ontwikkeling in de weg kunnen staan. De negatieve gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad blijken ook wel uit de verklaringen van het slachtoffer en haar vader die op zitting zijn voorgelezen. Onder meer is daaruit naar voren gekomen dat het slachtoffer moeite heeft om mannen te vertrouwen. De verdachte heeft met zijn handelen zich niet bekommerd om deze gevolgen en enkel oog gehad voor zijn eigen seksuele gevoelens.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 september 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 23 juni 2025, waaruit volgt dat geen adequate inschatting van het recidiverisico gemaakt kan worden. De reclassering kan een dergelijke inschatting niet maken wegens de ontkennende houding van de verdachte, waardoor de reclassering het delictgedrag onvoldoende kan doorgronden en duiden. De reclassering ziet op basis van de aard van het tenlastegelegde en het gesprek met de verdachte en zijn vrouw wel aanknopingspunten voor behandeling en begeleiding. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met betrekking tot het slachtoffer.
Straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd. Voor ontucht met een minderjarige die bestaat uit aanraking boven de kleding, worden door deze rechtbank doorgaans taakstraffen opgelegd die het wettelijk maximum benaderen, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat de verdachte de handelingen gepleegd heeft op een moment dat het slachtoffer aan hem was overgeleverd en er voor haar geen mogelijkheid was van de situatie weg te gaan. Verder weegt strafverzwarend mee dat de verdachte een minderjarig slachtoffer heeft aangerand dat al jarenlang bij hem en zijn gezin over de vloer kwam en dat hem als vaderfiguur zag. Bovendien heeft de verdachte op geen enkel moment verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank vindt de bewezenverklaarde handelingen, in combinatie met bovengenoemde omstandigheden, dusdanig ernstig dat zij hogere straffen zal opleggen dan de straffen die door de officier van justitie zijn geëist.
Alles afwegende, zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf opleggen van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

De heer [naam 3] , de vader van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer] , heeft zich als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.379,37, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 379,37 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij geconcludeerd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering is op het punt van de reiskosten met betrekking tot de therapie niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat deze als medische kosten zijn aan te merken en dus materiële schade betreffen, die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het bedrag van € 117,48.
Ten aanzien van de reiskosten die verband houden met de bezoeken aan de politie, de advocaat, het beslaghuis en de rechtbank oordeelt de rechtbank als volgt. De vordering van reiskosten zal de rechtbank toewijzen tot een bedrag van € 125,66 (€ 46,53 eenmaal naar het beslaghuis, € 45,87 en € 33,26 tweemaal naar het politiebureau). Dat goederen van het slachtoffer in beslag genomen werden en zij die weer moest ophalen, is een rechtstreeks gevolg van het strafbare feit. De reiskosten naar het politiebureau zijn kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Voor al deze reiskosten geldt dat zij door de verdediging niet zijn betwist, en dat die kosten naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid zijn gemaakt en van een redelijke hoogte zijn.
De reiskosten naar de advocaat en de zitting van € 136,22 zijn naar vaste rechtspraak geen materiële schade, maar proceskosten (Hoge Raad 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338). De benadeelde partij heeft geen proceskostenveroordeling gevorderd. De vergoeding van deze reiskosten zal de rechtbank daarom afwijzen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is op basis van het dossier en de ingediende vordering van oordeel dat de benadeelde partij op andere wijze, als bedoeld in voornoemd artikellid, in haar persoon is aangetast doordat zij geestelijk letsel heeft opgelopen door het feit. De benadeelde partij heeft immers onbetwist aangevoerd dat zij traumaklachten heeft opgelopen waarvoor zij therapie volgt en er een EMDR-behandeling plaatsvindt.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade van € 1.000,00 volledig toewijzen. Bij deze begroting heeft de rechtbank de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt laten meewegen.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 1.243,14, te vermeerderen met de wettelijke rente van 4 mei 2024. Dit bedrag bestaat uit
€ 243,14 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade.
Proceskosten
Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. de rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.234,14, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2024 tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
6 (ZES) MAANDEN;
bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009, zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt;
- zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering
Nederland op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;
- zich laat behandelen door forensische polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.243,14 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, te betalen aan de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 1.243,14, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Dantuma-Hieronymus, voorzitter,
mr. H.P.M. Meskers, rechter,
mr. J.M. Meester, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S. ten Voorde en S.J.H. Oosterloo, LLM, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 november 2025.
Mr. A. Dantuma-Hieronymus en griffier S.J.H. Oosterloo zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.