ECLI:NL:RBDHA:2025:25751
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid verblijfdoel en omstandigheden
Eisers, moeder en dochter met de Surinaamse nationaliteit, vroegen een visum kort verblijf aan voor toeristisch verblijf in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eisers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aannemelijk hadden gemaakt en onvoldoende sociale en economische binding met Suriname hadden, waardoor terugkeer niet aannemelijk was.
Eisers stelden in beroep dat zij wel een hotelreservering en reisverzekering hadden, dat zij voldoende binding met Suriname hadden door werk en studie, en dat zij voldoende middelen hadden voor verblijf en terugreis. Tevens voerden zij aan dat zij ten onrechte niet waren gehoord.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende aannemelijk achtte, mede omdat de hotelreservering was geannuleerd en geen nieuwe was overgelegd. De reisverzekering maakte dit niet anders. De rechtbank vond dat de weigeringsgrond zelfstandig voldoende was en dat het horen niet verplicht was omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van het visum was rechtmatig. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.