ECLI:NL:RBDHA:2025:25709

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
NL25.62396 en NL25.62395
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring van eisers in het bestuursrecht; belangenafweging van kinderen in vreemdelingenzaken

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de inbewaringstelling van twee eisers, die door de minister van Asiel en Migratie op 18 december 2025 in bewaring zijn gesteld op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000. De eisers, die gescheiden zijn van hun minderjarige kinderen, hebben beroep ingesteld tegen deze maatregel, waarbij zij ook een verzoek om schadevergoeding hebben ingediend. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 30 december 2025, waarbij eisers zijn bijgestaan door hun gemachtigde, mr. B.A. Palm, en de minister door mr. R.L.F. Zandbelt.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen van eisers bij de beslissing om hen in bewaring te stellen. De rechtbank oordeelt dat de minister de belangen van de kinderen niet adequaat heeft meegewogen en dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. De rechtbank heeft de beroepen van eisers gegrond verklaard en de minister opgedragen de maatregelen van bewaring op te heffen. Tevens is de minister veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.400,- aan elk van de eisers voor de onrechtmatige vrijheidsontneming, en zijn de proceskosten vastgesteld op € 1.814,-.

De rechtbank benadrukt dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel een ingrijpende beslissing is die alleen mag worden genomen als aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. De rechtbank concludeert dat de minister in deze zaak niet aan deze vereisten heeft voldaan, en dat de belangen van de kinderen van eisers onvoldoende zijn meegewogen in de besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.62396 en NL25.62395

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2025 in de zaken tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer 1]

[eiser],v-nummer: [nummer 2]
samen: eisers
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluiten van 18 december 2025 (de bestreden besluiten) heeft de minister aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregelen van bewaring dragen?
1. In de maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregelen vordert, omdat het risico bestaat dat eisers zich aan het toezicht zullen onttrekken en eisers de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijken of belemmeren. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eisers:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging hebben ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg hebben gegeven;
3e. in verband met hun aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens hebben verstrekt over hun identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen hebben gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan hun verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eisers:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 hebben gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister op de zitting de zware grond 3e en de lichte grond 4a heeft laten vallen.
1.2.
De onbetwiste zware grond 3c en onbetwiste lichte gronden 4b en 4c kunnen de maatregel van bewaring echter al dragen. Deze gronden kunnen de maatregel dragen omdat zij feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht. [1] Wat eiser heeft aangevoerd tegen de zware grond 3a en 3i kan daaraan niet afdoen en behoeft daarom geen nadere bespreking. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Had kunnen worden volstaan met het lichter middel?
2. Eisers voeren aan dat de minister in dit geval een lichter middel dan de maatregel van bewaring had moeten opleggen. De minister heeft namelijk onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen van eisers. Zij zijn staandegehouden en overgebracht naar de gesloten gezinslocatie op een moment dat hun beider kinderen elders verbleven. Nadien zijn eisers er niet in geslaagd om contact te leggen met de kinderen (14 en 18 jaar oud). Om die reden had de minister niet tot een inbewaringstelling moeten overgaan maar moeten kiezen voor een lichter middel, zoals bijvoorbeeld een verblijf in een vertrekcentrum met het opleggen van een meldplicht. Dat de minister voornemens was de kinderen later in bewaring te stellen en dat niet zou zijn beoogd om het gezin gescheiden uit te zetten, is feitelijk onjuist. Eisers zijn op 29 december 2025 opgehaald ter fine van hun uitzetting en zouden ook daadwerkelijk en zonder hun kinderen zijn uitgezet als zij niet opnieuw een asielaanvraag zouden hebben ingediend.
2.1.
De rechtbank stelt het volgende vast. Op de zitting is duidelijk geworden dat eisers op 17 december 2025 de uitspraak hebben ontvangen in het hoger beroep tegen de afgewezen asielaanvragen, waarbij hun beroepen ongegrond zijn verklaard. De afwijzing van de asielaanvraag was daarmee definitief. De jongste zoon van eisers schrok hiervan, waarna zijn oudere broer hem meenam om te logeren bij een vriend. Het was de afspraak dat zij de volgende dag terug zouden komen. Op 18 december 2025 heeft de vreemdelingenpolitie (AVIM) eisers om 6:22 uur staandegehouden op hun verblijfsplaats op het asielzoekerscentrum in Nijmegen. Het doel van de AVIM was om zowel eisers als hun kinderen staande te houden en uiteindelijk over te brengen naar het Detentiecentrum in Zeist. Aangezien de kinderen – vermoedelijk – nog steeds bij vrienden aan het logeren waren, zijn zij niet staandegehouden. Eisers hebben gedurende hun inbewaringstelling geen contact kunnen krijgen met hun kinderen en weten niet waar zij precies verblijven. De kinderen zijn niet in bewaring gesteld.
2.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding is om een lichter middel op te leggen. Eisers hebben immers aangegeven niet te willen terugkeren naar Egypte en hebben geen aantoonbare acties ondernomen om terugkeer mogelijk te maken. De minister stelt dat de belangen van de kinderen voldoende zijn meegewogen bij de oplegging van de maatregelen. Het was de bedoeling om eisers na de oplegging van de maatregelen te herenigen met hun kinderen in het detentiecentrum in Zeist. Door AVIM is geprobeerd om te achterhalen waar de kinderen verblijven. Dit is niet gelukt. De vlucht naar Egypte was voor het gehele gezin gepland op 29 december 2025. De vluchten van de kinderen zijn op het laatste moment geannuleerd, omdat de AVIM niet kon achterhalen waar de kinderen zijn. De minister heeft intern besproken wat de mogelijkheden zijn om het gezin gescheiden uit te zetten. Daarvoor is akkoord gegeven omdat het vermoeden bestaat dat de kinderen zich niet melden bij de minister om zo de geplande uitzetting te belemmeren. De uitzetting van de ouders op 29 december 2025 bleef daarom gepland staan. Eisers hebben echter op het laatste moment een opvolgende asielaanvragen ingediend waardoor de uitzetting geen doorgang vond. Gelet op de nieuw ingediende feiten zag de minister geen aanleiding om de asielaanvragen op Schiphol te behandelen.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eisers slaagt. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel een ingrijpende maatregel is, die slechts mag worden toegepast indien is voldaan aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt mee dat de minister steeds moet beoordelen of met een lichter middel kan worden volstaan, waarbij de minister alle relevante feiten en omstandigheden waarmee hij bekend is worden betrokken. [2] Zoals op de zitting door de minister is gesteld was het uitgangspunt van de minister om het gehele gezin gezamenlijk staande te houden en vervolgens in bewaring te stellen, zodat het gezin gezamenlijk kan terugkeren naar Egypte. Volgens het proces-verbaal van staandehouding heeft de geplande staandehouding van eisers op 18 december om 06:22 uur plaatsgevonden en zijn de kinderen niet aangetroffen. Tijdens het gehoor hebben eisers verklaard dat hun kinderen bij een vriend gingen logeren en de volgende dag terug zouden komen. Ook hebben zij verklaard dat eisers niet weten waar hun kinderen precies zijn. Daarmee was voor de minister kenbaar dat sprake was van een situatie waarin het gezin feitelijk was gescheiden en dat eisers geen zicht hadden op de verblijfplaats van hun kinderen.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de belangen van de kinderen onvoldoende meegewogen in de afweging om af te zien van de oplegging van de maatregelen van bewaring. De rechtbank begrijpt dat dit een uitzonderlijke situatie is. Toch mag van de minister worden verwacht dat hij in deze situatie actief en zorgvuldig handelt met het oog op de belangen van de kinderen. Na de staandehouding en zeker na het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling had de minister opnieuw en expliciet moeten afwegen of de vrijheidsontneming nog noodzakelijk en proportioneel was. Op dat moment was de gehele situatie kenbaar voor de minister en had hij aanleiding moeten zien om een lichter middel op te leggen. Door dit na te laten, heeft de minister onvoldoende blijk gegeven van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij voldoende gewicht is gegeven aan het belang van de kinderen. Hierbij is mede van belang dat eisers zich altijd aan hun meldplicht hebben gehouden. Dit is door de minister op de zitting ook erkend. Het gegeven dat de minister heeft geprobeerd het gezin te herenigen na de inbewaringstelling van eisers, doet hieraan niet af. Het handelen van de minister heeft er in de praktijk immers toe geleid dat eisers van hun kinderen zijn gescheiden, zonder dat aannemelijk is gemaakt dat deze scheiding onvermijdelijk was. Bovendien heeft de minister geprobeerd om eisers gescheiden van hun kinderen uit te zetten naar Egypte, aangezien de vluchten van de kinderen zijn geannuleerd en die van eisers niet. Daarmee heeft de minister het risico genomen dat mogelijk een langdurige scheiding van het gezin zou ontstaan. Onder deze omstandigheden had het op de weg van de minister gelegen om een lichter middel op te leggen.
3.2.
De rechtbank volgt de minister ook niet in het standpunt dat eisers, dan wel hun kinderen, bewust hebben geprobeerd de uitzetting te belemmeren. De enkele omstandigheid dat de kinderen zich niet hebben gemeld is daarvoor onvoldoende. Er was sprake van een geplande staandehouding door de AVIM, waarvan eisers niet op de hoogte waren. Dat eisers niet op de hoogte waren van de exacte datum en tijdstip van de staandehouding heeft de minister erkend op de zitting. Daarom is het onaannemelijk dat eisers hun kinderen die dag doelbewust aan het toezicht hebben willen onttrekken. Eisers hebben verklaard dat de kinderen die nacht bij een vriend verbleven. Nu de AVIM eisers om 6:22 uur hebben staande gehouden is het niet bevreemdend dat de kinderen nog niet waren teruggekeerd van hun vriend. Deze verklaring wordt niet weersproken door concrete aanknopingspunten in het dossier. Van een bewuste tegenwerking of obstructie is dan ook niet gebleken. Ook het gegeven dat eisers een asielaanvraag hebben ingediend, maakt dit niet anders. Op de zitting werd immers duidelijk dat eisers een opvolgende aanvraag hebben ingediend omdat zij nieuwe feiten willen inbrengen en niet om de terugkeer te willen frustreren.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn gegrond en de maatregelen van bewaring zijn vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Eisers hebben inmiddels een herhaalde asielaanvraag ingediend. Dit betekent dat de minister moet bezien of hij overgaat tot het nemen van een nieuwe maatregel van bewaring na omzetting van de grondslag, onder opheffing van de huidige maatregel van bewaring. Omdat de huidige bewaringsmaatregel ten tijde van het sluiten van het onderzoek nog niet was opgeheven, zal de rechtbank de minister opdragen dit alsnog te doen, voor zover niet reeds gebeurt.
6. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om eisers (elk) een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 14 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.400,-.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank merkt de beroepen in dit verband aan als samenhangende zaken. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregelen van bewaring met ingang van 31 december 2025;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van elk € 1.400,-, en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzitter, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.ABRvS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1409.
3.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).